← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

III.

Reading edition

Wij trekken de stad binnen in gezelschap van den adjudant van den Vorst, die ons, namens Zijne Hoogheid, uitnoodigt, onzen intrek te nemen in het oude paleis; naar het schijnt, is het hotel van Cettinjé niet comfortabel genoeg ingericht en op dit oogenblik zelfs niet van meubelen voorzien. Wij krijgen in het paleis eene vrij ruime kamer op de eerste verdieping; de deur dier kamer komt uit op een langen gang, waarop nog eene reeks andere kamers uitkomen, allen volkomen gelijk als de cellen van een klooster. Dit was de residentie van Danilo, den voorganger van Vorst Nikolaas, in Augustus 1860 te Cattaro laaghartig vermoord. In zijn tijd stond het paleis bekend als het Bigliardo (billart): zoo zeer was de verbeelding der inboorlingen getroffen geworden door het zien van een billart, dat in een der vertrekken van den Vorst was geplaatst, en wel in de kamer, waar hij vreemde bezoekers ontving en ook de raad vergaderde. Dit meubelstuk was uit elkander genomen, en bij gedeelten, door vijftig man, van Cattaro, over de bergen, naar Cettinjé gebracht: geen wonder, dat de herinnering aan zulk een feit lang in het geheugen bleef gegrift. Vóór Danilo—toen de Vorsten van Montenegro tevens bisschoppen waren en dus het wereldlijk en geestelijk gezag in hun persoon vereenigden;—hadden zij geen ander paleis dan het klooster; maar Peter II, de laatste Vladika (bisschop), een in vele opzichten merkwaardig man, die veel gereisd had en in ontwikkeling zijn volk ver vooruit was, had reeds het klooster verlaten en de grondslagen gelegd van het Bigliardo, dat ongetwijfeld nog heden tot vorstelijke residentie zou dienen, indien niet Vorst Danilo, de laatste bewoner, op zoo treurige wijs om het leven was gekomen.

Om ons te bedienen, wordt ons een Montenegrijn toegevoegd, een bescheiden, ordentelijke man, die er zeer fatsoenlijk uitziet en zijne functiën naar behooren waarneemt; hij behoort tot het hofgezin van den Vorst en draagt een zwarte liverei, die, wat de snede der kleedingstukken aangaat, met het gewone nationale kostuum overeenkomt.

Wij beginnen met eene wandeling te doen door het gebouw, waarin wij onzen intrek genomen hebben. Het hoofdgebouw staat tusschen twee binnenplaatsen, waarvan de eene op de straat uitkomt, waarin het paleis staat en die naar het klooster voert; op de andere binnenplaats bevinden zich de stallen van den Vorst. De eerste, ommuurde plaats is aan de hoeken voorzien van kleine torens, die tot verdediging kunnen dienen en aan het geheel een zeker karakter geven. De lange smalle gang, waarop de kamers uitkomen, is van afstand tot afstand met zware, massieve deuren afgesloten; breede trappen voeren naar beneden. Aan het eind van den gang, is, onder de regeering van Vorst Danilo, aan het paleis een vleugel bijgebouwd, waarin zich de vergaderzaal van den Senaat bevindt. Het overige van het gebouw wordt deels voor bergplaats, deels voor het verrichten van allerlei werkzaamheden gebruikt; uit een der benedenvertrekken, dat voor school schijnt te dienen, zie ik kinderen komen. Vreemdelingen van zekeren rang en zij, die met eene of andere diplomatieke zending zijn belast, worden door den Vorst uitgenoodigd, hier hun intrek te nemen; zijn lijfarts woont ook hier, en somwijlen ook zijn sekretaris. In de kamer nevens mij logeert een zeer warme en bekende Slavenvriend, een bevrijde Pruis, zooals hij zich zelven noemt, de heer Gustaaf Rasch, schrijver van een werk over Montenegro, bladzijde 268 Vom Schwarzen Berge getiteld, en aan Vorst Nikita (Nikolaas) opgedragen. Wellicht nog meer bekend is hij door een ander boek, eerst te Brunswijk in het duitsch verschenen, maar dat in Duitschland verboden is, en waarvoor de schrijver door de rechtbank tot vier maanden gevangenisstraf is veroordeeld. Dit werkje is, door den heer Louis Léger, in het fransch vertaald onder den titel Les Prussiens en Alsace-Lorraine, par un Prussien. Het spijt mij zeer, dat wederzijdsche beschroomdheid of al te groote terughouding ons heeft verhinderd, met elkander kennis te maken. Ik heb mij daardoor van de gelegenheid beroofd om profijt te trekken van de zeer degelijke kennis van den heer Rasch, die de servische taal, waarin ik onbedreven ben, grondig verstaat.

Het wordt donker; ik zit hier tusschen vier naakte, koude muren; mijn bediende verstaat eenige woorden italiaansch, zoodat ik mij althans voor hem verstaanbaar kan maken. Ik ga mij nu naar behooren installeeren. Binnen een half uur is de kamer zoo veranderd, dat de ernstige Montenegrijn, als hij mij het verlangde waschwater brengt, zijn oogen nauwelijks gelooven kan en mij allerlei vragen doet. Ik wil die vragen van uwe zijde, lezer, voorkomen, en u mededeelen, dat ik gewoon ben, met een volstrekt niet grooten zak te reizen, dien ik wel haast onuitputtelijk zou mogen noemen, en waarin ik eene gansche huishouding berg. Te paard reizende, bind ik dien zak aan den zadel vast; ga ik te voet, dan draag ik hem aan twee riemen op mijn rug, even als den ransel van een soldaat. Met dien zak gewapend, ontbreekt mij niets. Wat daar al inzit? Zie hier een groote, zeer fijne, veelkleurige zijden doek, die mij tot tafellaken dient en ook nog op menige andere wijze gebruikt wordt. Dan een blikken kapdoosje, met toiletspiegel, voorzien van blakertje en kaarsen; een lamp voor wijngeest, onontbeerlijk in deze streken, waar ge dikwijls geen droppel melk kunt krijgen voor uw thee; een schrijfportefeuille; een platte inktkoker, die hermetisch gesloten kan worden. Voorts Liebig-extracten, bouillon en melk, in potjes, naar de grootte gerangschikt; suiker; een platte veldflesch met besten brandewijn; potlooden, albums, een aquarellen-doos: genoeg schildergereedschap in één woord om een meesterstuk te kunnen scheppen—als het noodige talent er ook was. Verder eenige boeken; vooreerst reisboeken, natuurlijk verschillende naar gelang van de streek, die ik bezoek, maar dan ook andere, die ik voor mijn eigen uitspanning mede neem: allen in klein formaat. Toen ik tusschen de twintig en dertig jaar oud was, placht een Musset mijn trouwe reisgezel te zijn; tegenwoordig gebeurt het mij meer, dat ik een Montaigne of Pascal uit mijn kast neem en in mijn valies pak. Eindelijk de onontbeerlijke toiletartikelen, schoensmeer en borstels, want ook daarop moet men bedacht zijn. Mijn lijfgoed is, met een paar schoenen, benevens een overjas met kap, voor het geval dat ik buiten moet overnachten, in een plaid gerold. Zoo uitgerust, trek ik onbekommerd voort, zonder van iemand afhankelijk te zijn.

Men heeft mij meermalen gevraagd, of ik op reis geen wapens medeneem. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik, ook in de meest ter kwader naam staande streken, nooit een pennemes uit mijn zak heb gehaald, dan om een puntje aan mijn potlood te maken. Ik heb Bosnië en Herzegowina doorreisd, toen zij reeds in vollen opstand waren; ik ben daar twee- of driemaal in moeielijkheden geraakt, maar ik houde mij overtuigd, dat ik onherroepelijk verloren zou zijn geweest, indien ik een revolver bij mij had gehad. Niets is gevaarlijker, dan in deze landen eene zekere uitdagende en tartende houding aan te nemen. De voorzichtigheid van Zadig verdient verre de voorkeur boven de vermetelheid van Gusman. Het is zeker een voorrecht en een genot, merkwaardige landen te bezoeken, vreemde zeden en gewoonten te kunnen gadeslaan, het hart te kunnen ophalen aan schilderachtige tooneelen en wonderlijke kleederdrachten:—maar toch, om daar het rechte genot van te hebben, moet men het er levend afbrengen; mijn huid is mij lief—mi preme la vita—en ik houd er niet van, mij onnoodig in gevaar te begeven. Koelbloedigheid en tegenwoordigheid van geest, een rustige toon van gezag, en vooral onschuldige bedoelingen: ziedaar mijns erachtens de beste wapenen op een tocht door deze en dergelijke half-barbaarsche landen.

Na mijn reiszak ontpakt en mijn kamer zooveel noodig gemeubeld, en vervolgens een half uurtje gerust te hebben, is het tijd om wat voedsel te gaan nemen, want het ontbijt van Njégosch, hoe stevig ook, is niet meer dan eene herinnering. De heer Matanovich, de adjudant van Z.H., biedt ons bereidwillig zijne hulp aan; hij is vooruitgegaan naar het hotel van Cettinjé, om te zorgen dat wij het een en ander te eten bekomen. Dit hotel is, zoo als ik zeide, nu geheel ledig: de kastelein, die het gepacht had, was niet in staat het gebouw te meubileeren; zijn opvolger is pas in functie getreden, en heeft daar nog geen tijd voor gehad. Echter vinden wij er een open tafel, waar voor mij eene plaats is beschikbaar gehouden.

Verbeeld u een groot, hol vertrek op de eerste verdieping; in het midden der zaal staat een tafel, maar flauwelijk verlicht door eenige lampen, die het grootste gedeelte van het ledige, naakte vertrek in donkere schemering gehuld laten. Een voor een treden de gasten binnen, bijna allen opperhoofden en mannen met eenige waardigheid bekleed, zonder twijfel tot de naburige stammen behoorende en tijdelijk in de hoofdstad verblijvende. Eene kleine, vrij vlugge dienstmaagd, meer dan waarschijnlijk uit Dalmatië en wel van de kust geboortig, daar zij even goed italiaansch als servisch spreekt, wijst mij de eenige ledige plaats aan; en daar zit ik nu, als elfde man, tusschen tien Montenegrijnen, weinig innemend van voorkomen, bijna allen rijzige forsche mannen met lange hairen en zware bruine knevels, de meesten met medailles versierd, en allen met een volledig arsenaal in hun gordel! Niemand legt zijne wapenen af, eer hij aan tafel gaat. Als het eerste gerecht, een soort van aardappelenragout, wordt rondgediend, wijst een der Montenegrijnen, die mij eer wil bewijzen, met den vinger op mij, als een teeken dat men mij het eerst moet bedienen. In de bladzijde 270tien gordels tel ik vier-en-twintig pistolen. Alle gasten houden hun beretta op het hoofd; zij dragen allen het witte buis en het roode, met goud geborduurde vest. De heeren fluisteren onder elkander, terwijl zij mij voortdurend aanzien; een hunner vraagt aan de dienstmaagd, of ik servisch spreek; ik merk dat zij mij tot een Italiaan maakt, omdat ik mij met haar in die taal onderhoud. “Fransouski” zeg ik, om mijne nationaliteit bekend te maken. Dit scheen de gasten gunstiger te stemmen, maar hunne manieren zijn ruw, en ik voel mij niet op mijn gemak, hoewel men mij blijkbaar met beleefdheid wil behandelen. Als ik weiger om het eerst bediend te worden, dan beduidt men mij met een hooghartig gebaar, dat het niet te pas komt, komplimenten te maken, dat ik slechts heb te gehoorzamen, en mij te schikken naar de regelen der montenegrijnsche gastvrijheid. Intusschen gaat de maaltijd zijn gang; een half schaap, aan het spit gebraden, wordt opgedischt on met de yatagan in stukken gesneden; de nationale kaas dient tot dessert. Nu worden de pijpen aangestoken; terwijl de heeren nog met elkander blijven praten, verwijder ik mij; mijn groet wordt door een korten wensch beantwoord. Ik gevoel, dat die hooge personages, voor het meerendeel senatoren, niet den schijn willen hebben, dat zij aan een vreemdeling, dien zij niet kennen, bijzondere aandacht schenken, en dat zij ook geene verbazing willen toonen.

De Vorst, in het openbaar recht spreekende.
De Vorst, in het openbaar recht spreekende.

De Vorst, in het openbaar recht spreekende.

Ik steek de groote straat over, waar eenige schimmen mij voorbij glijden, allen in de strouka gewikkeld; voor den muur van het paleis van den Vorst kuieren de schildwachten op en neer. Somwijlen opent zich een deur: een helder licht, afkomstig van het midden in de kamer brandende vuur, schijnt over de straat en teekent zwarte schaduwen op den grond. Al tastend bereik ik mijne kamer in het oude paleis, en eer ik mij ter ruste begeef, teeken ik in mijn dagboek de herinneringen en indrukken van dezen dag op, mijn zonderlingen tocht van Cattaro naar hier.

Een laatste blik naar buiten, in den kalmen, helderen herfstnacht. Hoe hoog zijn de bergen! Hoe ver, ver ben ik hier van Frankrijk! Hoe afgezonderd van de wereld, door een geweldigen muur van haast onbeklimbare rotsen gescheiden van de blauwe Adriatische-zee....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings