← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

De uitvinder der alpakawol.

Reading edition

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen; dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning, meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen, van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met hem is weder een dier heroën der industrie ten grave gedaald, aan wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt, de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn vader Daniël naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op de hoogvlakten der Cordilleras van bladzijde 111Peru en Chili een soort van lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand, noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast, zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt, dat alle soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen, en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan, die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad, die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende inspanning en herhaalde proefnemingen, en na raadpleging met ervaren werktuigkundigen, was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden, niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen, en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford, niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig 4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel, het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen, waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn, die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot één doel, en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen, dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp, die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en dezen als tot een voorportaal der hel maakt;—al willen wij gaarne toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen, hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen slanken schoorsteen, was bladzijde 112het te bemerken dat de stoomketel gestookt werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd, waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt, beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg, die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt, en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen, van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864 op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als eenvoudig industriëel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt, dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis werd opgericht.—Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen, en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o, tevens de baronie erfde.

Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen, gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij 10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.

Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en verstandigen arbeid bevorderd heeft.

Max Wirth. (Ueber Land und Meer.) bladzijde 113

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings