← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

II.

Reading edition

Den 12den Juni liet ik halt houden om de kameelen wat rust te gunnen. Den volgenden morgen ging ik met twee metgezellen op verkenning uit naar een heuvelrij, maar het uitzicht dat zich van alle zijden, behalve van die waarvan wij gekomen waren, voor ons opdeed, was niet geschikt om ons op te vroolijken. Wij zagen niets dan een vlakke, zandige streek, hier en daar met eenige groepen van casuarinas bedekt, en verder overal met de noodlottige spinifex. Er moest ergens in de buurt water zijn, maar het gelukte ons niet te ontdekken waar.

Op de volgende dagen begon zich de spinifex in nog grooter hoeveelheid te vertoonen; zij bedekte het land zoover men zien kon. Het was noodeloos in die richting onzen tocht verder voort te zetten, en wij keerden terug. Op dien terugweg bemerkten wij eene inboorlinge, met een kleinen jongen en een pasgeboren kind. Mijne makkers wilden haar achtervolgen: maar de kameelen lieten zich niet zoo gemakkelijk mennen, en in dien tusschentijd was de vrouw ons te vlug af; zij nam de vlucht, terwijl zij alles wegwierp, uitgezonderd het kleine kind, dat zij in hare armen had. Zoo gelukte het haar, te ontkomen. Charley kreeg echter den kleinen jongen in zijn macht, die niet de minste vrees toonde; hij keek ons en onze kameelen aan, als ware hij volkomen aan dat gezicht gewend. Wij plaatsten hem voor Charley op zijn kameel, en gaven hem door gebaren te verstaan, dat hij ons een plek zou aanwijzen, waar wij ons water zouden kunnen verschaffen. Deze nieuwe manier van reizen scheen den kleinen schalk niet bang te maken: in zijne taal en door zijne gebaren wees hij ons in westelijke richting. Wij gingen in die richting voort: maar nu ontdekte de scherpe blik van Charley eenige kleine vogels die van den grond opvlogen; hij liep naar de plek, en vond inderdaad twee natuurlijke putten vol water.

Deze natuurlijke putten, van welke zoo dikwijls het leven der reizigers in Australië afhangt, en die het alleen mogelijk maken dit land te doorreizen, zijn niets meer dan zeer kleine holten of kuilen in het zand, waar het water, als niet aan den invloed der zon blootgesteld, ook niet zoo sterk verdampt. De diepte is gewoonlijk vijf voet, somtijds echter ook meer. Zelfs over dag zou men dicht langs deze zoogenaamde putten kunnen trekken, zonder ze op te merken; des nachts is het volslagen onmogelijk ze te ontdekken.

Den 26sten rukten wij voort naar het westen; aan den gezichteinder in het noordwesten werden lage heuvels zichtbaar; het terrein begon langzamerhand eene zacht golvende gedaante aan te nemen.

Ik beklom een heuveltop, om het omliggende land te overzien: een weinig bemoedigende aanblik. Op dien top vonden wij dunne steenplaten, breed vijftien duim en lang zes duim, die aan de hoeken afgerond waren en bedekt met krabbels, waaraan wij geene beteekenis konden hechten; en een kogel, evenzeer van steen, zoo groot als een sinaasappel. Wat deze voorwerpen moesten beduiden, en met welk doel zij daar waren neergelegd, konden wij niet begrijpen.

6 Juli.—Sahleh schijnt stervende; zijne beenen en armen weigeren hem reeds de dienst; bijna kan hij zich niet meer bewegen, en het spreken gaat met groote moeite; zijn eenig voedsel bestaat nog uit rijstewater. De krachten begeven hem geheel; om hem verder te vervoeren, zou men hem op een kameel dienen te plaatsen, hetgeen hem waarschijnlijk het leven zou kosten;—derhalve zie ik mij verplicht mijn tocht te staken.

7 Juli.—Ik zend twee onzer makkers, Lewis en Dennis, op verkenning uit, met drie kameelen, een bladzijde 355goeden voorraad water, en proviand voor tien dagen. Het doel van hun verkenningstocht is, in alle richtingen, behalve in de oostelijke, nasporingen te doen naar water, want denzelfden weg teruggaan willen wij niet.

9 en 10 Juli.—Sahleh is veel beter. Wij hebben op den heidegrond eene kleine gele bes ontdekt, die wij hem hebben laten nuttigen, nadat wij ons overtuigd hadden dat de plant niet giftig was.

19 Juli.—Lewis en Dennis zijn van hun verkenningstocht nog niet teruggekeerd, en ik maak mij ongerust over hun wegblijven. Zes inlanders zijn in ons kampement gekomen, maar wij hebben ons niet aan elkander verstaanbaar kunnen maken. Schoon wij deze gauwdieven met de meest mogelijke zorg bewaakt hebben, hebben zij ons toch ongemerkt een bijl ontstolen, hetgeen een einde heeft gemaakt aan hunne bezoeken. Het waren menschen van een schoonen lichaamsbouw, en het ellendige leven dat zij leiden in aanmerking genomen, zagen zij er tamelijk goed uit. Zij waren geheel naakt, gewapend met lansen en “waddies” of korte stokken, die zij gebruiken om de “wallabies”, een soort van kleine kangoeroes, waarvan zij hun hoofdvoedsel maken, te dooden.—Lewis komt, tot onze blijdschap na zonsondergang terug, en brengt goede tijding mede: op honderd mijlen afstand heeft hij een plaats gevonden, waar men zich van water kan voorzien, als men de spade maar in den grond steekt.

Aan den avond van Zondag, 20 Juli, komt Charley ons berichten, dat er drie kameelen in zuidelijke richting zijn ontsnapt. Dat was geene vroolijke tijding, maar Halleem, de kameeldrijver, verzekerde ons, dat indien men hem toestond de dieren achter na te zetten, hij ze wel zou terugbrengen. Ik stond hem Hosee, mijn eigen kameel, af; het was nog geen vijf uren in den namiddag, toen hij vertrok. Tegen den middag van den volgenden dag wachtten wij hem terug, maar hij liet zich wachten. Sahleh zeide ons des avonds, dat hij zeer duidelijke sporen van Hosee, niet ver van ons kampement, had ontdekt; maar tevens vertelde men mij iets, waarvan ik vroeger nooit gehoord had: dat Halleem lijdende was aan zenuwaandoeningen, gedurende welke hij zijn geheele bewustzijn verloor. Ik maakte mij al meer en meer ongerust, en zond den 22sten mijn zoon Richard en Charley met een week proviand uit om Halleem te zoeken met zijne kameelen. Lewis vertrok ook, maar in eene andere richting.

Eindelijk, na bange dagen te hebben doorgebracht, vond men Halleem terug, en op den 29sten kwamen allen in het kampement terug, maar zonder kameelen. Wij hadden niet alleen onzen tijd, maar ook onze lastdieren verloren. Halleem had alles gedaan wat hij had kunnen doen: hij had over bijna honderdvijftig kilometers het spoor der kameelen gevolgd; maar daar zij dag en nacht voortrenden, en hij slechts over dag hun spoor kon waarnemen en volgen, was het hem onmogelijk ze in te halen.

Den 30sten vond Lewis, op een afstand van twintig kilometers, een put, waarheen wij ons begaven. Wij holden dien verder uit, en verwijderden de doode ratten, die er zich in groote menigte in bevonden. Er zijn, zooals men weet, ontelbaar veel ratten in Australië; zij maken hunne nesten in de rotsspleten en zijn over het algemeen kleiner dan de ratten die men in Engeland aantreft. Toen ons werk was voltooid en nog voor wij water hadden geput, viel een der zijwanden in, zoodat wij van voren af aan moesten beginnen.

Ons vaste kamp hebben wij voor goed vaarwel gezegd: het is ons een toevluchtsoord geweest in onzen tegenspoed, maar toch waren wij er niet minder blijde om, het te kunnen verlaten. Sedert verscheidene dagen was het regenachtig weder; wij trokken voort naar het westen; de spinifex groeide in zoo groote hoeveelheid en de grond was zoo glibberig, dat de kameelen niet dan met moeite voortgaan konden.

5 Aug.—Wij zijn in een streek, rijk voorzien met moerassen van zout water, die half uitgedroogd waren. Deze poelen bestaan thans uit natten en slijkerigen grond, bedekt met een zoutkorst. Men vindt ze niet alleen in lage streken, maar ook dikwijls in hooger gelegen plaatsen.

Op den 9den woei er een stevige wind, en van den verzengden bodem stegen dikke zand- en asch-wolken op. Het was een ware woestijn, die wij doortrokken. Wij verscholen ons zoo goed mogelijk achter onze kameelen, en sloegen ons kampement op bij een moeras, waar wij water aantroffen, maar zoo zilt dat het ondrinkbaar was.

Den 11den deden wij verkenningen in verschillende richtingen, die allen vruchteloos waren; ik kwam tot het besluit om terug te keeren, ten einde het spoor te vinden van eenige inlanders, die wij den vorigen dag hadden gezien. Dit was mij het eenige uitzicht op redding. Als dit ons ook ontzinkt, zullen wij ons genoodzaakt zien naar onze laatste halt terug te gaan; en om daar te komen, moeten wij nogmaals die afschuwelijke zandheuvels over, die wij onlangs over getrokken zijn; dit zal ons onze laatste kameelen doen verliezen en ons in een rampzaligen toestand brengen; maar een andere keus rest ons niet.

Op den 12den hebben wij het kamp der inlanders gevonden, en vlak daarbij een put. Wij zijn gered, zonder dat wij wederom de afschuwelijke woestijn door moeten.

Den 14den begeven wij ons verder, naar een andere zijde op weg, waar wij putten vinden en minder woeste oorden; maar weldra begint de zandwoestijn op nieuw.

Den 16den hadden wij nauwelijks acht kilometers afgelegd, toen zich een dikke rook aan ons oog vertoonde, die opsteeg van een vuur, door de zwarten aangestoken. Blijkbaar vermoeden zij niet, dat wij zoo vlak in hunne nabijheid zijn. Wij dringen in hun kamp door, en nemen er bezit van eenen uitmuntenden put. In het kamp vonden wij een lans en een ronde ijzeren tomahawk. Wij besloten daar voor eenige dagen ons verblijf te houden, en in den omtrek verkenningen te doen, ten einde te trachten de rivier en het meer weer te vinden, die A.C. Gregory heeft aangegeven en die het eindpunt zijn geweest van zijn tocht. Hij had niets dan paarden te zijner beschikking, en daar hij eene onmetelijke, volkomen dorre woestijn voor zich zag, geloofde hij niet, dat het mogelijk was verder te gaan. Wij vonden de plaatsen bladzijde 356niet terug, die hij beschreven heeft; maar zij konden niet verder dan dertien of zestien kilometers van ons verwijderd zijn. Van het meer zagen wij niets, omdat zandheuvels het voor ons oog verborgen.

Den 28sten zagen wij voor de eerste maal vluchten van duiven. Zij waren zeer wild, en wij konden er slechts drie of vier van dooden; zij lieten zich zeer goed smaken. Bij een tocht naar het zuiden, had Lewis een dal ontdekt, omringd door heuvels van rood zand, waar vijvers met helder water waren, dikwijls van honderd voet in den omtrek; maar daar wij er zeker van waren, als wij in rechte richting voorttrokken, een meer te vinden, wilden wij liever geen omwegen maken. En inderdaad, wij vonden het meer, en daarbij duiven, musschen en eenden in overvloed; wij doodden er zoo vele van als wij maar konden, maar, daar het meer vrij groot was, was de jacht niet van de gemakkelijkste.

4 September.—Wij kwamen aan een kampement van inboorlingen, waarbij een put was. De zwarten gingen op de vlucht, maar dit belette ons niet, eene zeer leelijke oude vrouw machtig te worden, die een akelig gehuil uitstootte. Twee dagen later lieten wij haar weder gaan.

Eerst op den 11den, na talrijke nasporingen rondom ons kamp, vonden wij een nieuwen put op zes of zeven kilometers afstands. Het was Charley, die ons deze tijding bracht, tevens met het bericht er bij dat zich nevens dezen put een kampement van inlanders bevond. Den 12den, met het krieken van den dag, vertrok ik met het doel hen te overvallen en een hunner gevankelijk mede te voeren, maar toen ik kwam, waren de zwarte vogels gevlogen.—De put gaf ons uitmuntend water.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings