← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Note 2 — II.

Reading edition

Ik meen reeds gezegd te hebben, dat de vlakte van Cettinjé niet dan met zeker voorbehoud op den naam van vlakte aanspraak maken mag: het is eigenlijk een bergplateau, tusschen de zeven- en achthonderd el boven de zee verheven. Als ge, in die vlakte staande, rondom u ziet, dan rust uw oog aan alle zijden op een krans van bergen of heuvelen; de voornaamste die ten westen en ten noordwesten, verheffen zich ter hoogte van drie- en vierhonderd el boven den beganen grond, en zijn langs hunne hellingen geheel bedekt met kreupelhout, steeneiken, dennen en berken; de bergen ten noorden en oosten zijn minder hoog, grauw van kleur, kaal en naakt. De zon is ondergegaan; het is dat stil en weifelend uur, waarin het nog geen nacht en niet meer ten volle dag is; de bergachtige achtergrond, waartegen de omtrek van het hotel, aan het einde der groote straat, scherp uitkomt, hult zich in donkere, harmonische, warme tinten, als violetkleurig fluweel, gelijk aan die der heuvelen op de heide, tegen het einde van den herfst. Mij dunkt, wij behoeven niet lang te twisten over den oorsprong van den naam des lands: Tzerna-Gora, Montenegro, Zwarte-bergen. Even als de Turken hunne goede redenen hebben om de bergbewoners met den naam van de Verschrikkelijken aan te duiden, zoo kan ook zeer goed de eerste reiziger, die van dit voor hem nieuwe landschap eene beschrijving wilde geven, getroffen door de eigenaardige kleurschakeering, welke hier op sommige uren van den dag valt waar te nemen, dien naam van Montenegro hebben bedacht, als het best zijn indruk wedergevende2.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings