Note 1 — III.
Reading edition
Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon; tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid, gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote, rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geërgerd hebben, zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De ruïnen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin, van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruïnen op den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk het genot bederven.1