Historische inleiding
Reading edition
§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde der achttiende eeuw
Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht en uitgewerkt.
Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet in de auteursproducten zelf—het is algemeen bekend, dat reeds in de oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken van grooten bloei hebben gehad—maar in de wijzen, waarop die producten geëxploiteerd kunnen worden.
De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van boeken reeds op groote schaal plaats had.
De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is, een uitsluitend recht op kopie te scheppen.
In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad van concurrentie.
De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.
Het in druk uitgeven van een geschrift is—en was vooral te dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was—altijd min of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar zich toe.
Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden, zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie, waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen, aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.
De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk gebleven. Het recht—al was het dan een uitzonderingsrecht—der privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.
Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden de Staten de privilegiën zelf.
Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles mede werd „geapprobeerd” wat in het boek te lezen stond. Bleek later, dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den Emile van Rousseau.
Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn (zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren dood is.
Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook werken van beeldende kunst.
Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever „nasnijden” meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare uitgaven, privilegiën werden verleend.
De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar schilderijen gemaakte.
Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.
Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te verspreiden.
Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.
Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.
Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:
De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete, waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.
Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht; ik vond er b.v. van: „25 Goude Realen”; „20 Caroli guldens van elck Boeck”; „50 kronen ’t elcken reyse te verbeuren”; „vijf en twintigh ponden van veertigh grooten”; „drie guldens voor elck Exemplaar”; enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan 3000 gld. zou bedragen.
Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën, die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker of uitgever, verleend.
Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten van Holland in 1587 „den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen Anthonisz.” om te mogen drukken en uitgeven „seecker Boecksken, by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers, &c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken ... etc.” zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt „nochte elders gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte te koop gestelt.. etc.” Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.
Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend „Beright” eigenhandig door den auteur onderteekend:
„Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word / dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur: hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn.”
Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins langer bij stil te staan.
Een ander voorbeeld vond ik in het boekje „Het Godtsaligh overlijden van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange, Grave van Nassau etc.”, waarin een privilegie van de Staten van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek, Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: „Johannes Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot Leyden.”
„Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer zij verklaarden aan anderen het „kopierecht” af te staan, daarmede alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis, volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.
Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28 Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën blijkt in de resolutie niets.
Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten, zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden, maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons land niet vóór het jaar 1796.
Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander namen, om hem te keeren.
Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord, zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken, die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te geven was vastgesteld.
De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur, die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden, hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.
Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten.
Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat ik hier volgen.
Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging, hij noemde het:
„’t Onredelijckste stuck, d’ onlydelijckste smart,
doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien.
Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, kan blijken uit de overweging:
„Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als binnen ’s Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc.”
Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als een uitzonderingsmaatregel.
Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.
Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:
Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht; de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.
Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.
De „schatten”, die door de drukkers en uitgevers werden verdiend, mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf, vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor de drukkers en uitgevers was.
De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:
„En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,
’t Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen
Der loozer druckeren en hunner metgezellen;
De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt.”
Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg voor de eerste uitgave zijner gedichten—en dat nog niet zonder moeite—zes exemplaren van zijn werk en een „Grootmediaen Bybel” van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem „dat er langer geen gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk gelts voor zyn”; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter, dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan „de arme waerde van twee zilvere dukatons”.
Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de Staten der Provinciën „om daer omtrent sodanige ordre te stellen, als sullen oordeelen te behooren.” De Staten van Holland hadden in de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: „Dat de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght, sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te Lande gedruckt sullen moeten zijn.” Indien zij zich in 1745 hieraan nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond.
Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.
§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende eeuw tot dezen tijd
„Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen regtmatigen eigendom.”
In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken en uit te geven.
Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne erfgenamen over en was—in overeenstemming met den naam „eigendomsregt” dien men er aan gaf—eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming, die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.
Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland) uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken beschermd (art. 5). De „regtmatige eigendom” van vreemdelingen werd dus niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave, den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd, een „regt van praeferentie”, waardoor anderen verhinderd werden van dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).
Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van staatsstukken, „welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten worden beschouwd”, behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht aan zich (art. 9).
„1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom.” Over de schrijvers wordt geen woord gezegd.
De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever zich dus geheel buiten den auteur om. In de „Consideransen” wordt het aldus gemotiveerd: „het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een” (nl. de uitgever der vertaling) „moet gehouden worden, de daartoe benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst te doen... etc.”
Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.
De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden in de Décret-Loi des 19–24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog, hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld, in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: „compositeurs de musique” en aan: „peintres et dessinateurs qui feront graver des tableaux ou dessins” (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).
Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten.
De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug.
De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1 (Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken.
Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan „... elk die een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins, wettig bezit” (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld: „eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave der eerste vertaling” (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is medegedeeld, werd gemotiveerd.
Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had te vervullen.
Intusschen was in België—vreemd genoeg—bij Besluit van 28 September 1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld; vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.
Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend, waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling, onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5), de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.
Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen te maken en te verkoopen werd verleend aan „diegenen, welke daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden” (art. 1).
Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of vertaler (art. 3).
Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van de woonplaats des uitgevers (art. 6).
Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook „kunstwerken” beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig.
Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren wij dus—in tegenstelling met de meeste andere landen—nog even ver als in den tijd der privilegiën.
Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10–1000 gld., confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid, bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel, om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete betreft, deze moest strekken „ten behoeve van de algemeene armen van de woonplaats des nadrukkers”; eene bepaling waarvan de ratio moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval, dat de nadrukker een vreemdeling was.
In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap of den Staat zijn uitgegeven.
Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve van de landsdrukkerij werd voorbehouden of „bij speciale vergunningen of octroijen” aan particulieren werd afgestaan.
Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen.
Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).
Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats, nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van zijn voorganger was overgenomen.
Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.
Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2); de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7); uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).
De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).
Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18–20, die de strafbepalingen inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis, ter en quater zijn geworden.
Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle „werken der beeldende kunsten”; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).
De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem „die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt”.
Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht (art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.
Daar het in de zitting 1883–1884 niet in behandeling was gekomen, werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.
Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte, die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.
§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht
In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk—al was het dan bij uitzondering—zich over meerdere landen kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan, hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw aanvangt.
In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt bleef tot de grenzen van elk land.
De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.
Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd gehouden.
Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken, stonden verschillende wegen open.
Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting slaagde men beter.
Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858); tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869) en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale bescherming medewerkten.
In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht werd gemaakt, óf—wat practisch op hetzelfde neerkomt—waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.
In sommige gevallen, moest de rechter het—dikwijls ingewikkelde—vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen toepassen.
Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen die hun eigen wet voorschreef.
Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in 1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.
De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde doel betuigd.
1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.
De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht, aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover definitieve instructies mede te geven.
Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz te Bern plaats (7–18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor het te sluiten verdrag tot stand.
Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te Bern (6–9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van: België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia, Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de Conventie in werking.
De Convention concernant la création d’une Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen, en een Slotprotocol (nos. 1–7), waarin de bepalingen van sommige artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.
De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol (no. 5) werden geregeld.
Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien, dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte, die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën, achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden, terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.
Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.
Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en
Eene „Verklaring” (Déclaration), die eene interpretatie geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele Acte.
De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring, niet de Additionneele Acte.
De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).
De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën, werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen, als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet.
Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat echter vast dat allen hiertoe niet—tenminste niet binnen kort—zullen overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en „Verklaring”) nog bestaan.
Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten, die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven, hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome, op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.
Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.
Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk genoeg voor om hier te worden vermeld.
De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden geweest.
Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet zou verwerven.
Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten; het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne) aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.
Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.