← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Internationaal auteursrecht

Reading edition

§ 1 Algemeene opmerkingen

Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast; ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij, nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.

Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk illustreerde hij met de volgende vergelijking:

De naam „roofstaat”, dien men ons land met het oog op het gemis aan bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd, dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht, dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer van eenige beteekenis is.

Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld „Nederland en de Berner-Conventie”, zouden moeilijk kunnen doen vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht is gevestigd.

Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt, wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee in getal.

Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de „zonderlinge opvattingen” over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets, evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet meer terug; door de „zelfstandige arbeid”, die ik er aan verricht heb, is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren: in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?

Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel, dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.

De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer, om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten, zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal auteursrecht.

Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden, mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven, kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.

Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan, is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.

Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen worden.

Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het Rijk woonachtig zijn.

Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la nationalité de l’oeuvre. De „nationaliteit van het werk” kan weer op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten afhangen van:

a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;

b) de plaats, waar het werk is ontstaan;

c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op- of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.

Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.

Het beginsel van de „nationaliteit van het werk” geldt in de eerste plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den auteur doet dus niet ter zake.

Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig zijn van in Nederland woonachtige auteurs.

Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor gaat behooren tot de groep „door den druk gemeen gemaakte werken”.

Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden, en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht, hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan, het voortbestaan mogelijk te maken.

Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van „in Nederland of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken”. Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht niet opheffen.

Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië; waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van „Nederland” heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied; het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie te Batavia.

In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van 11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao gelijk met het buitenland.

De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt.

Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn.

Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de Oost-Indische koloniën met het moederland.

De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij echter voor, dat het „gevaar”, dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien; indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen.

Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de vereischten „in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt” en „gedrukt” beide te stellen sloot men onherroepelijk van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de letters en cliché’s, waarvan men zich bij het drukken bedient, in het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers over auteursrecht ten scherpste afgekeurd.

Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor, dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen, zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.

Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven.

Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.

Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden, photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften—in één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging—zijn in dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen.

Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken, ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan.

§ 2 De Berner Conventie

Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen alle kracht te ontnemen.

Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie.

Wij hebben dus te onderscheiden:

I De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit: a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen; b) een additionneel artikel; c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;

II De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in vier artikelen: art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20 der Berner Conventie; art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4); artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen;

III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der Additionneele Acte van Parijs;

IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande uit dertig artikelen.

Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol, Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben.

Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie 1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen verdeeld, als volgt:

a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7);

b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10; op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14);

c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);

d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21–24; toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26; bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27–30).

a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in het Verbond

I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886 art. 1)

Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt.

Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent, is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de „bescherming van de werken van letterkunde en kunst.” De term droits d’auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques) dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht.

In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van „protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc.” dus: van de verschillende den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook ons woord auteursrecht de juiste vertaling.

II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2 en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896 art. 2, I)

De algemeene uitdrukking „werken van letterkunde en kunst”, waarmede in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving, die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1 geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.

De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens is geweest, dat zijn:

1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook hierboven heb gebruikt);

2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard;

3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;

4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk enz.).

Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie 1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie onvoorwaardelijk toepasselijk was.

Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels in ’t geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld.

In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.

De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier, maar onder artikel 14 bespreken.

Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden worden beschouwd.

In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde producten zijn gerekend, dus:

Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van beeldende kunst—Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen:

De uitdrukking „werken van letterkunde en kunst” omvat: boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures; lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische, topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...

Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:

„... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk of van eenige andere wijze van reproductie.

Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd, in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de bescherming wordt genoten „welke de betreffende wetten den inlandschen auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen”. Voor de vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd artikel naar „de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig is”. Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken, die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage, begrip dat de woorden „werken van letterkunde en kunst” in den titel en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons, welke de werken zijn die—volgens de regelen en onder de voorwaarden, welke de twee voorgaande artikelen stellen—in het Verbond beschermd zullen worden.

Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden; het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, beschermd zijn.

Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist, en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan.

Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie 1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden, „die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken.” De toetreding kan dus worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is, welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel 4 genoemde werken niet beschermd zijn.

Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche, die de geheele rubriek „werken van beeldende kunst” onbeschermd laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a:

„So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien.”

Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:

Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie 1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken, uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:

De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der bovengenoemde werken te verzekeren.

Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.

Photographieën—Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4 Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen:

Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat.

De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere Verbondslanden te beschermen, die daaraan „het karakter van kunstwerken niet ontzeggen”. Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren, doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst (dus niet als „kunstwerken”), niet verplicht aan de photographieën uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.

Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring (onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel, dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op, om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken.

Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in, dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie—van een schilderij b.v.—ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie.

De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat aldus luidt:

De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren.

De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten.

Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar opgesomde „werken van kunst en letterkunde” willen noemen, omdat men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil, mits hij ze maar beschermt.

De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort aldus worden samengevat.

Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie 1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet, óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.

Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren, doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere Verbondslanden gelden.

Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908 aan de staten die wenschen toe te treden, laat!

Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel 2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld, dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de „dramatisch-muzikale werken” en de „muziekstukken” prijken dus nu in het nieuwe artikel de „choregraphische werken en pantomimes, waarvan de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd.”

Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1 jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2 ten aanzien van dien staat van kracht blijven.

Werken der bouwkunst—In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet (p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin zij zijn openbaar gemaakt.

De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de Add. Acte art. 2, I, A.:

In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte.

Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche auteurs bestond.

Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat, terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt.

Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst—Deze werken bieden voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar, om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn, die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer verschillend gedacht.

Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern, nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is, eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:

De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d’art appliqué à l’industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche wetgeving van elk land dit toelaat.

Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk, Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche wetgeving overlaat.

Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de oude Conventie, die deze werken in ’t geheel niet noemde, waren zij niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie 1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is: „... ten slotte („enfin”) elk product op letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk of van eenige andere wijze van reproductie”.

Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de werken der kunstnijverheid.

Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in het Verbond—al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten—toch van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er in de meeste gevallen niet op te rekenen.

Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken, waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten, waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit—vooral waar het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht bestaat—niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog.

Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken—Het tweede lid van artikel 2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:

Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen, bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées) van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van verschillende werken.

Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen, dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden, kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd.

De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig uitgevallen. Het luidt als volgt:

Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld in de artikelen 2 en 3.

Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald wordt.

Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel—wat zoo dikwijls geschiedt—niet scherp genoeg van elkander heeft weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven (nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf.

Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde opvoering, voor ’t geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9; hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.

Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: „onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk”, hetgeen evengoed had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben.

Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze wet, die, zeer juist, „vertalers ten opzichte van hunne vertaling” met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het toetreden van ons land tot de Conventie.

Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen en verzamelwerken.

Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst (muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet, een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker op auteursrecht aanspraak kunnen maken.

De bepaling laat echter—wat trouwens in deze materie niet anders kan—eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere—min of meer van elkaar afwijkende—bepalingen bevatten, die voorzoover zij met het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.

Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in artikel 4 eene bepaling, die—eenmaal tot wet verheven—volkomen aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter, zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.

III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6; Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring 1896 1o en 2o)

De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust.

Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een van de Verbondslanden thuis behooren.

De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de internationale betrekkingen moeten worden toegepast.

Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur, om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886 was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land, waaruit het werk afkomstig is.

Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende opzichten van belang is. Het „land van herkomst” (pays d’origine) moet, wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet.

Het is daarom noodig, dat het begrip „land van herkomst” nauwkeurig vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3 en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze beide uitdrukkingen: „tot een land van het Verbond behoorend auteur” en „gepubliceerde werken” dient eerst het een en ander te worden gezegd.

Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een „door den druk gemeen gemaakt” werk; tot de niet gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel- en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw geene publicatie uitmaakt.

Wat als „land van herkomst” van een werk wordt beschouwd is na bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort; voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen, die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen, dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.

Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden samengevat.

De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond behooren, en

2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de landen van het Verbond heeft plaats gehad.

Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken, waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.

De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de wet aldaar verleent;

in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het vertalingsrecht).

In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.

Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden, is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.

Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).

Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden en formaliteiten.

De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt, kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.

De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede, dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten (dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.), in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.

Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen, behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden) en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen van de laatstgenoemde wet van toepassing.

De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:

Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst, de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld, en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel, zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken van bescherming—om welke reden dan ook—in het land van herkomst geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.

Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds—en ook op de Conferentie van Berlijn—eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt van „formaliteiten” zijn daaronder zonder twijfel ook de „uiterlijke voorwaarden”, welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in de andere landen was men—zooals hierboven is medegedeeld—reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld, durven beweren.

Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk; en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.

Artikel 5 is als volgt geredigeerd:

Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland, hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche auteurs.

Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig, dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.

Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht, daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.

De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in de Conventie zelve omschreven zijn.

De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde, is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur, kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij, om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur, het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.

Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren, maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren, genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.

De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele veranderingen gebracht. Alleen werd—evenals ten aanzien van de tot het Verbond behoorende auteurs was geschied—onderscheid gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):

De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren, genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs, en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige Overeenkomst verleent.

De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben zij in het land van herkomst „dezelfde rechten als de inlandsche auteurs”—eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting meer behoeft—en in de overige Verbondslanden „de rechten, welke de tegenwoordige Overeenkomst verleent”, hetgeen dus insluit: behandeling in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2) benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft.

Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis, die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven te worden.

Indien—wat te hopen is—de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt, vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier, maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen.

Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze nog even opsommen:

1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).

2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden gemaakt, ook: „de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige Overeenkomst worden toegekend” (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886 konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in art. 2 genoemd.

4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie 1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van het Verbond alleen als land van herkomst geldt.

Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan, om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3) aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds is gezegd, geene toelichting meer.

Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908 zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.

1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken—Artikel 27 van de W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet) woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt, beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn, terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval niet Nederland, maar Duitschland het „land van herkomst” zou wezen en dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou leiden en dat het dus beter ware daarbij—of in de plaats daarvan—het nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient.

Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt tusschen twee gevallen:

a) Nederland is volgens de Conventie het „land van herkomst”. De Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de Nederlandsche wet.

b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot „land van herkomst”. In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op:

1o alle rechten, die onze wet toekent, en

2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent (vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft, de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie, worden medegedeeld.

2 Door den druk gemeen gemaakte werken—Deze werken vinden volgens onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben, goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land van herkomst heeft.

Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is, wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt (inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10) vervuld moeten worden.

De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5) als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6) genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door den druk wordt gemeen gemaakt, „dezelfde rechten als de inlandsche auteurs.” Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet, daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven, aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet gebonden blijven.

Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten), maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn (art. 4 lid 2, art. 6).

Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft, deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard, zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte „land van herkomst” van hunne werken zullen beschouwen.

Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde, dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn, te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland om zal worden gedrukt.

Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881, met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:

a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs (hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien der analoge bepaling in W. A. R.);

b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken.

Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn:

a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een der Verbondslanden behooren;

b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst door den druk zijn gemeen gemaakt.

Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:

c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in Nederland door den druk gemeen lieten maken.

De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c genoemde auteurs.

Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is (pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten, hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan!

De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de volgende.

De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en 7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn) terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs en uitgevers de slachtoffers zouden worden.

Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:

1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen gemaakte werken zonder eenige formaliteit;

2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op:

a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen;

b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.

IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2)

De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886 is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.

De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het Duitsche en het Fransche voorstel.

In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:

De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren na zijn dood.

Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede lid van het artikel luidt:

Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.

Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.

De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het land van herkomst in het geheel niet beschermd is—hetgeen trouwens ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet dikwijls meer zal voorkomen—dan kan dit niet meer, zooals onder de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen „onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het werk” laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen twijfel over.

Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet, waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was, dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven, een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier, maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij aan deze werken een beter „land van herkomst” zouden kunnen bezorgen.

b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen

I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886 art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)

In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: „indien van dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt.”

Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde vraagpunten. Een dezer vragen luidde:

„Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?”

Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren geformuleerd:

1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling, en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk.

2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal, waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die uitgave verschijnt.

3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken.

Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen, weg te laten, óf—indien men hiertoe niet kon besluiten—in elk geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten, dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.

Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld, in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.

Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie 1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden, omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch, zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken:

Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van „assimilation complète”. Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.

De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen.

Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht, dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie 1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde.

Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over deze keus—speciaal in verband met de toetreding van ons land—zal zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet—of tenminste niet terstond bij de aansluiting—het nieuwe art. 8 onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van 1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.

Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond, zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908 (art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie 1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte, daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908, het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.

De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen, indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden zijn. Indien de wet van een land—zooals b.v. in Luxemburg het geval is—op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond niet worden opgeheven of verkort.

Notes in this chapter

Note 1 · Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander van allNote 2 · Afgezien van het woord „diefstal”, dat den „leek op rechtsgebied” misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze beschouNote 3 · Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche werkNote 4 · „Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm dies Note 5 · In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. „Het ontzien van een anders Note 6 · Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige auteNote 7 · Er doet zich hier nog eene—ook door Mr. Veegens besproken—moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven toNote 8 · De eerste uitgave beslist dus over de „nationaliteit” van het werk en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het auteursrecNote 9 · Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons land besNote 10 · In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het uitkomt, Note 11 · Wil men dus het stelsel van de „nationaliteit van het werk” voor door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient deze alleeNote 12 · De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te bekrachtigeNote 13 · Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zouNote 14 · De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of Note 15 · „Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren seNote 16 · Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken van beNote 17 · Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is verheven, dan zou ook de uitdrukking „werk van beeldende kunst” in artikeNote 18 · Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen, slechtNote 19 · Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt, om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het niet bestaat. Doch deNote 20 · De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield de vervulling in van een der „wenschen” welke op de Conferentie van PariNote 21 · Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de ConvNote 22 · Choregraphische werken—Ten aanzien der choregraphische werken bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten aanzien der phNote 23 · Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel: choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde pNote 24 · Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men er toch Note 25 · Het woord „enfin” waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend te moeten vertalen door „ten slotte” en niet door „kortom”, zooals door aNote 26 · Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats is oveNote 27 · Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites), waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in stNote 28 · Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te laten vervallen. Note 29 · Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich (krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te bNote 30 · Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog: verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault wordt hiNote 31 · Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken „gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders” (art. 2, a). Geen beschNote 32 · 1 „Tot een Verbondsland behoorend auteur”—Deze uitdrukking (auteur ressortissant à l’un des pays de l’Union) werd gekozen door de Commissie Note 33 · Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men wilde uNote 34 · De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats; op de moeilijkhedNote 35 · 2 Publiceeren—Over de beteekenis van het woord „publier” in de Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de uitdrNote 36 · In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de Duitsche afgevaarNote 37 · Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, alleen worNote 38 · Over de beteekenis van de woorden „voorwaarden en formaliteiten” (conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met „condNote 39 · Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en foNote 40 · Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor de berekeNote 41 · De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen, nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming wordt ingeNote 42 · De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de motiveeriNote 43 · De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen dán in Note 44 · Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden57. Hieraan was hetNote 45 · 3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van „auteurs of hunne rechtverkrijgenden” is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen in de hier besprNote 46 · De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de vooNote 47 · Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch, dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending bij hNote 48 · Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar geldende wet, geheNote 49 · De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet, slechts Note 50 · Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor enkele ondNote 51 · Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven (p. 350) is gNote 52 · Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer gNote 53 · De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden en NoNote 54 · Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie aangeNote 55 · In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen,Note 56 · „Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers l’assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction Note 57 · Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen7Note 58 · En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van zijne in 189Note 59 · Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel inNote 60 · Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke terNote 61 · Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds toegetredenNote 62 · Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben bekrachtigd en dieNote 63 · Het vertalingsrecht—en dit geldt voor alle drie de regelingen—behoort tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of zo
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings