← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Grondslag en rechtskarakter

Reading edition

§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën

Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve rechten kan worden ingedeeld.

Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort overzicht moge hiervan volgen.

Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de orde was gesteld: „Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?”

Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en Mr. J. Freseman Viëtor.

Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:

In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.

De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen van de negen en veertig stemmen.

De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: „dat de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot teruggave” werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en de leer van het „stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd” vond slechts één enkelen aanhanger.

Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht „in het algemeen belang” acht?

Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische voorlichting op dit gebied ontbreken.

Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote meerderheid toch nog altijd „het algemeen belang” zich verzetten, gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.

Aan dezen raad heeft men zich—zooals bekend is—tot nu toe in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het „algemeen belang” hiermede gediend is.

Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was, schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere onderzoekingen overbodig te achten.

Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland, hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.

Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.

§ 2 Recht of doelmatigheid?

In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne boven aangehaalde rede aldus formuleerde: „Is this a question of expediency or is it a question of right?” Hebben de auteurs recht op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een, waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin dus alleen de doelmatigheid, „het algemeen belang”, heeft te beslissen?

Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën, die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht te wijden.

Het ligt niet in mijne bedoeling—het zou mij trouwens ook te ver van mijn onderwerp afvoeren—deze zienswijze hier te bespreken; zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het auteursrecht nog eens in ’t bijzonder in het licht te stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het „algemeen belang” heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals mr. Viëtor verscheidene malen doet.

Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.

In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht zeggen, dat het „algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd”. Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.

En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers, tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om, gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom, d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten?

Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.

En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk op auteursrecht wordt—misschien niet door de groote menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft—maar wel door de belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom—gesteld dat dit mogelijk ware—de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden, en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen, niet tot minder ernstige gevolgen leiden.

Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.

Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.

Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte verklaring op dit punt noodzakelijk.

Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten, of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende kracht moet worden toegekend.

Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn, waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij, die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.

Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn; zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.

Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch, doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar de—boven reeds genoemde—voorrede van Poot voor den tweeden druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: „...van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef.”

Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor, het volks-rechtsbewustzijn niet „als rechter in hoogste ressort”, kan men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht wordt gehouden.

Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor „het algemeen belang” stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden gezegd.

De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: „Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?” En nu meen ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, welke ik aldus zou willen formuleeren:

1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun arbeid.

2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen.

De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.

Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, die zij bestreden en wel in ’t bijzonder aan de theorie van den letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.

Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.

Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen, die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze bescherming zich zou kunnen uitstrekken en—wat hier ook gevraagd kan worden—hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is, om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.

Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag—hierboven reeds toestemmend door mij beantwoord—of eerbiediging van de rechten der auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag, welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.

De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: „Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen.” Er is niets tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen, die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren; ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romeinschen rechtsregel: „nemo cum damno alterius locupletior fieri debet.” Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het auteursrecht liet zich langs dezen weg niet „bewijzen”. Dit is door de meeste Nederlandsche schrijvers over ’t auteursrecht en in ’t bijzonder door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde »juridische” theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een privilegie, om redenen van „algemeen belang” (d.i. instandhouding van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen dit te hebben gemeend.

Wat nu de stelling betreft, „dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven,” welke tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt, niet bereikt. Indien men onder „algemeen belang” dient te verstaan doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets; evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: „naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?” Het is een antwoord, dat eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier geen voorlichting weet te schenken.

Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets anders daarvoor in de plaats te stellen.

Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle, welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht kon dienen, had men niet „met een zucht” van alle verdere pogingen in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht.

§ 3 Economische theorieën

De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf, d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke wereld manifesteert.

Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch product:

Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas—krijgt althans pas beteekenis—wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus in druk verschijnt. Wat nu wel „une portion de richesse” uitmaakt, is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift wordt vervaardigd, maar dit is niet „het voortbrengsel” van den schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring van den econoom.

Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal, wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen recht meer op zijne schepping heeft:

Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. Op dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van locomotieven of van piano’s zijne producten aan ieder gratis moet afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij, welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond eiland voor zou worden gegeven!

Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige eigenschappen van zijn product.

Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die „symbolische Güter” voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie, waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt.

Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle’s leer, waarvan ik de voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven, vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht.

Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie, geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.

Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle, maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen „kunstmatig surrogaat” van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is, evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer.

Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als eene „economische” bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best op hare plaats.

De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken, of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne leer geven:

„Zoolang de ware grondslag” (scil. van het auteursrecht) „niet gevonden is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt.”

Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.

Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht worden berekend.

In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering berust dus op eene petitio principii: de „verkeerswaarde”, welke de heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.

Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in staat zou stellen „juist en bepaald te omschrijven wat den auteur toekomt.” Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden, niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver, hoe lang dit recht moet duren, enz.

De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product; in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn „waarde” en „loon” louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken, verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de „waarde” geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn; doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt gehouden dat het woord „ruilwaarde” bij anticipatie wordt gebruikt, daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn.

Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht, dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of—zooals het in mr. Lohman’s redeneering heet—hen te bewegen, met hem in het verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die „het laatst betaald wordt.” Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen.

§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed

De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is, ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de „makers” bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet).

Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een uitsluitend recht kan dienen.

Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare) schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit; het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen van verschillende personen komen.

In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig.

De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven.

Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht, dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met geestelijke scheppingen; dit geldt—zooals hieronder nog nader zal worden aangetoond—niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek, maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed.

Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen het begrip „geestelijken eigendom” in te brengen moge zijn, deze theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel) goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht, maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën, uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct, heeft Kohler’s Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.

Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik van eens anders eigendom.

Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen, dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven, van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking, die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer niets gemeen heeft.

Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen, dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem bestaat, moet worden gedacht.

Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren, schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond.

Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen, mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler—vooral in zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz—duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk: „eine juridisch-ästhetische Studie” en gaf het tot motto een regel, dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: „Der richtige Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz der Kunst hindurch”. Hieruit valt reeds op te maken, dat men in dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over „vorm” en „inhoud” heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler’s streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler’s methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang en strekking van het auteursrecht komen, „juridisch-aesthetische” beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut, maar beslist onontbeerlijk zijn.

In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden, openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets, die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij, dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken, die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen, zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen; doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.

Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt, die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam „eigendom” te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou moeten worden gerangschikt.

Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver van elkander afwijken.

Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler’s leer van het Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie zijn in te brengen, tegemoet komt.

Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk bespreken.

Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in ’t geheel niet. Iets dat niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord „bestaan” geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier, inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen, waardoor zij zijn teweeggebracht.

Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?

Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen, volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.

Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens, opbouwen.

Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met de „werkelijkheid” overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde „ding” als bestaande mogen aanmerken?

Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden, (kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken, binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen, waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf, dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft, die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht niet toelaten.

De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken thuis.

Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen, in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht, dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren.

Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.

In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien, dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen rechtskarakter vertoont.

Notes in this chapter

Note 1 · Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq.Note 2 · Cf. Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d’auteur, Genève 1869 pp. 38 sqq.Note 3 · Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse pour le doctorat. Paris 1904 p. 29: „Toutefois, malgré les arguments juNote 4 · Men zie hierover o.a.: Dr. H. Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher für die Dogmatik V pNote 5 · Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1. Theil, II Haupst., 3 Abschn., § 31 II.Note 6 · Men zie o.a. Otto Gierke, Deutsches Privatrecht I (systematisches Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding, 2de afd. 3Note 7 · Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und Verlegers in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq.Note 8 · Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck nach den Beschlüssen des deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für civ. Praxis Bnd.Note 9 · Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277.Note 10 · Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Afd. Letterkunde, deel VI p. 349.Note 11 · Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 sqq. en 113 sqq.Note 12 · Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35.Note 13 · Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97.Note 14 · Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 II pp. 70, 71.Note 15 · De verschillende opstellen van den heer de Savornin Lohman, waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis 1862 pp. 213 sqq.,Note 16 · Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877 pp. 204a sqq.Note 17 · Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van mrs. de Ridder en Freseman Viëtor, nog van den laatste: Kantteekeningen op het oNote 18 · Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq.Note 19 · T. a. p. p. 328.Note 20 · Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids 1896 III pp. 411 sqq.Note 21 · T. a. p. p. 413.Note 22 · Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644.Note 23 · Ibid. pp. 1628, 1642.Note 24 · Men zie o.a.: mr. Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. J. van de Kasteele, Het auteursrecht in NederNote 25 · Men zie b.v.: Opzoomer, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III p. 205; Asser en van Heusde, Handleiding tot de beoefening van het Nederl. BurNote 26 · Edouard Laboulaye, geciteerd door Fern. Renouard t. a. p. p. 29.Note 27 · Zoo o.a. Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de Nederlandsche wet in Verslagen en Mededeelingen der KoninklijkNote 28 · Autorrecht p. 98.Note 29 · Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV (nieuwe Note 30 · T. a. p. p. 6.Note 31 · T. a. p. p. 9.Note 32 · T. a. p. p. 22.Note 33 · T. a. p. pp. 22, 23.Note 34 · T. a. p. p. 23.Note 35 · In: Themis IX pp. 213 sqq.Note 36 · H. J. Hamaker, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in: Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. LeNote 37 · Cf. Hamaker t. a. p. p. 36.Note 38 · Heinrich Heine, Ideen. Das Buch le Grand. Kap. XIV.Note 39 · Cf. Kohler, Autorrecht pp. 209, 210.Note 40 · Autorrecht p. 211.Note 41 · Autorrecht pp. 212 sqq.Note 42 · Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: Jolly, Die Lehre vom Nachdruck pp. 7 sqq. p. 87.Note 43 · Amsterdamsch Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan, 1907, Avondblad, 3de blad.Note 44 · Freseman Viëtor t. a. p. p. 112.Note 45 · Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniging 1877 I p. 14.Note 46 · Hand. Jur. Ver. 1877 I pp. 96, 97.Note 47 · Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20.Note 48 · Prof. W. L. P. A. Molengraaff in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 386.Note 49 · O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341.Note 50 · Bijdragen enz. XV p. 20.Note 51 · Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390.Note 52 · Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756.Note 53 · Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57.Note 54 · Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.Note 55 · Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68.Note 56 · P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires (Oeuvres complètes, tome XVI) p. 11.Note 57 · T. a. p. p. 13.Note 58 · T. a. p. p. 17.Note 59 · Behalve zijne economische beschouwingen gaf Proudhon over het auteursrechtvraagstuk nog: „Considérations morales et esthétiques” en „conséquNote 60 · Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail, 5me ed. Paris 1848 pp. 234, 235.Note 61 · De door mij geraadpleegde werken van Schaeffle zijn: Die ausschliessenden „Verhältnisse” mit besonderer Rücksicht auf litterarisch-artistiscNote 62 · Ik heb gemeend het woord „Unternehmer-Rente” dat Schaeffle hier gebruikt, te moeten vertalen door „ondernemerspremie” en niet door „ondernemNote 63 · T. a. p. Band 23 p. 346.Note 64 · T. a. p. Band 23 p. 347.Note 65 · Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 208.Note 66 · Cf. hierboven pp. 85 sqq.Note 67 · Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en: Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq.Note 68 · Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8.Note 69 · Men zie o.a.: Freseman Viëtor in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en Mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq.Note 70 · Bijdragen enz. XVI p. 58.Note 71 · Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47.Note 72 · T. a. p. p. 10.Note 73 · Bijdragen enz. XVI p. 51.Note 74 · T. a. p. p. 10.Note 75 · T. a. p. 11.Note 76 · In dezen zin o.a. reeds: Edouard Laboulaye, Etudes sur la propriété littéraire en France et en Angleterre, aangehaald door Fernand Renouard,Note 77 · Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Sämmtliche Werke 8 pp. 224 sqq.Note 78 · Hegel’s Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie ook §§ 68 en 69.Note 79 · Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2: „Genoeg, dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van kleinziNote 80 · Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens, De Gids 1896 III p. 416; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigdNote 81 · Handel. Tweede Kamer 1880–1881 p. 1629.Note 82 · Cf. in dezen zin: Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn VI pp. 376, 377.Note 83 · Men zie b.v. in dezen zin: Evertsen de Jonge t. a. p. p. 23; Freseman Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1Note 84 · Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 141 sqq.Note 85 · Die Lehre vom Nachdruck pp. 37, 38.Note 86 · Eenige beschouwingen over kopierecht p. 77.Note 87 · Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte 2de druk ’s Gravenhage 1900 p. 109.Note 88 · Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een recht op een onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf als object aanNote 89 · O.a. Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 393; Prof. mr. D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht INote 90 · O. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq.Note 91 · Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1.Note 92 · T. a. p. p. 765.Note 93 · T. a. p. p. 767.Note 94 · Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende andere bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv für bürgerlNote 95 · Cf. Kohler, Urheberrecht p. 16.Note 96 · In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het tijdperkNote 97 · Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, te construeerNote 98 · Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie van iNote 99 · Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der auNote 100 · Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie, met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het alleenNote 101 · De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar oordNote 102 · Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk had uiteengezet11, ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht op deNote 103 · „Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als mNote 104 · Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: „dat in heNote 105 · De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt, zooals Note 106 · Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het RechtsgelNote 107 · „Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien, hoeveeNote 108 · Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze aansluiting bij de Berner Conventie20. Na te hebben verklaard, dat geNote 109 · Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die zich met de uitspraak „dat in het algemeen belang een recht tot uitsluitendNote 110 · Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch men schijntNote 111 · Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne Immaterialgüterrechts-theorie. EvenalsNote 112 · Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over auteursrecNote 113 · Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne nuttigheidsNote 114 · Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek „naar het al of niet reNote 115 · Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel duidelijNote 116 · „Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, maar ik meenNote 117 · Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent Note 118 · Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt uiteen te zettNote 119 · Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: „...de eiNote 120 · Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke omstanNote 121 · Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon worden aangerNote 122 · Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een of anNote 123 · Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een „naturwüchsiges Recht” is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop het kan gNote 124 · Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den nadruNote 125 · Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel niet alleenNote 126 · Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag gelegd, maaNote 127 · Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht hadden, zou—hierover zal ieder het wel eens zijn—het eenige rechtsmiddel Note 128 · Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitleggiNote 129 · Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401 zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders dNote 130 · Er bestaat geen „recht om boeken te drukken” evenmin als een recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat slechNote 131 · „Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag”52. Deze opNote 132 · Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn prae-advies sNote 133 · „L’écrivain, l’homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion Note 134 · „Les lois de l’échange sont: que les produits s’ échangent les uns contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un débNote 135 · „Ces lois sont universelles; elles s’ appliquent à toutes les espèces de produits et de service, et ne souffrent pas d’exception,” voegt ProNote 136 · Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende argumentNote 137 · Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle61. Deze schrijveNote 138 · De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene ondeNote 139 · Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht aangewezen: het is te beschouwen als een: „vorläufig unentbehrliches künstlichNote 140 · Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch stanNote 141 · Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten als eigNote 142 · Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt, een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk punt Note 143 · Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels: „niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken” en: „dNote 144 · Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op dNote 145 · Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien; aNote 146 · Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd is gekozen. DaardNote 147 · De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten; van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde—ook wNote 148 · Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het prodNote 149 · Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn, is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van schrNote 150 · In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik stil te sNote 151 · „Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches, aNote 152 · De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden van grooNote 153 · Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden, die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de wijze waarNote 154 · Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht ontsNote 155 · Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed Note 156 · Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom, zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding teNote 157 · Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van: uitsluiteNote 158 · In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren, zich Note 159 · Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag uitdrukt: „Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op zichNote 160 · Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen, dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig van hNote 161 · Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen waNote 162 · Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product van kunNote 163 · Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht94, maar een vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand goed, dat Note 164 · Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te wor
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings