Note 83 — Grondslag en rechtskarakter
Reading edition
Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom, zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft; terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht, dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden zij het, naar het recht κατ’ εξοχην eigendom. Dat in de hierboven vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog, dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht, dat tot object zou hebben „de gedachte” en tot subject „de persoon die haar denkt.” Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen, dat een „geestelijke eigendom” van deze soort (een eigendom dus op den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is, welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten, daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden van anderen83. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben, aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken.