← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Voorwaarden en formaliteiten

Reading edition

Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht, zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is, op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht.

Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht, dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd, afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig achtte.

Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het ’t meest deugdelijke en meest eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn, hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen.

Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op- en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.

Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen, waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden.

Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden.

Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K., die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden aangetoond.

Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten, weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn.

Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10), dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave worden ingezonden aan het Departement van Justitie:

a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave,

b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.

Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.

Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke Bibliotheek te ’s Gravenhage.

Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden, dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar (Wet van 1 Juli 1842).

Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan: inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is, omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door (of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten, dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde doel even goed kunnen bereiken.

Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit, dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel, dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht, op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk, dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven, hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast, heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien.

De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg- en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars, die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken en te administreeren.

Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen; in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij—mits met kennis van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend—in staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven, op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren, vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten.

Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11 bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13, 15 2o en 16 2o).

Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of—hoewel dit wel zelden zal voorkomen—opzettelijk er een verkeerd jaartal op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien, wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het auteursrecht te loopen.

Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending, dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave; laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs, bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven, is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.

De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden, blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf, de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).

Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht, dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni 1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56–58).

Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis had kunnen krijgen.

Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-, opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.

Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft: neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan, dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht, dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.

Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen, dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten, worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan.

Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het Ontw. B. K. voorschrijft.

Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd, tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:

a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens door K. B. vast te stellen model;

b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures, photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de beschrijving een exemplaar van het werk.

De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.

Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere waarde vertegenwoordigt.

Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet, waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden volstaan met het inzenden der „beschrijving”. Of hiervan nu een druk gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.

Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk kunnen zijn.

Notes in this chapter

Note 1 · Cf. Röthlisberger t. a. p. p. 107.Note 2 · Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association: „De uitoefening van het auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden of formaNote 3 · Cf. La question des formalités en Italie, D. A. 1897 p. 65.Note 4 · Mr. C. Asser, Handleiding tot de beoefening v. h. Nederl. Burgerl. Recht II (3e druk) p. 347.Note 5 · Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als een drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de heer W.Note 6 · T. a. p. p. 123.Note 7 · Men zie hierover: D. A. 1908 p. 30.Note 8 · D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel hebben geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129.Note 9 · Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht zullen hieronder bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie nog ter spNote 10 · Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden (formaliteiten) en materieele voorwaarden1.Note 11 · Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd of hernieNote 12 · Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven Note 13 · Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als rechthebNote 14 · Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschenNote 15 · In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de noodzakelijkheid of wNote 16 · Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings- en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het overn
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings