← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

De objecten (continued 2)

Reading edition

Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.

Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen, beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of teekening, waarvan niemand kan zeggen „wat het voorstelt”, is niet als werk van beeldende kunst te beschouwen.

Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?

Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter iets anders dan wat ik hierboven noemde de „innerlijke voorstelling” van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op dezelfde wijze behandeld worden.

Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud zijner schepping noemen. Zij is het „imaginäre Bild”,—de „innerlijke visie” zou men hier zeggen—die in verschillende vormen aanschouwelijk kan worden gemaakt.

Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.

Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel, crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor de schilderkunst: het is dikwijls vooral de „manier van schilderen” waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen, dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze der twee kunstenaars.

Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met: melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.

Object van auteursrecht is—zooals altijd—alleen datgene, wat de schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de „innerlijke voorstelling”. Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie wijzigingen zijn aangebracht.

Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt, wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een andere ets wordt gemaakt.

Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen van den stijl of de „manier” van een ander, voorzoover dit op nieuwe onderwerpen wordt toegepast.

Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht, bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.

Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu in het volgende even te wijzen.

Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt verleend, indien de reproductie „op wettige wijze” is gemaakt. Dit beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden voor, om alleen de „wettige” reproductie te beschermen. Ik kan hier verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler—is daar betoogd (p. 179)—heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of zijne vertaling al dan niet „rechtmatig”, d. w. z. niet in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver, is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het oorspronkelijke werk.

§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst

Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk dezer onderwerpen—en in het bijzonder over de kunstnijverheid—zou in verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid niet achterwege meende te kunnen laten.

Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.

De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar zij niets in beeld brengen. Zij missen een „geestelijken inhoud”; hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid, die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten, handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen, boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn; ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.

In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging of het eerste verschijnen.

De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen, rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming van het auteursrecht te onthouden.

Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.

Notes in this chapter

Note 1 · Ik blijf mij van den gebruikelijken term „industrieele eigendom” bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen de uitdNote 2 · Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, Deutschland und andern europäischen Staaten p. 1.Note 3 · Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in den ruimen zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel gebruikt. Cf. hiNote 4 · Urheberrecht p. 131.Note 5 · Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq.Note 6 · Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf in verschillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Wolterbeek Muller,Note 7 · Droit d’Auteur 1901 p. 128.Note 8 · Men zie: D. A. 1900 p. 111.Note 9 · Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres van Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming der uitNote 10 · De reproductie was in dit geval geschied door de photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen van enkele tafereeleNote 11 · D. A. 1899 p. 20.Note 12 · Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz p. 61 noot.Note 13 · Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan zijn volgens het Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van CassatieNote 14 · Urheberrecht p. 137.Note 15 · Urheberrecht p. 128.Note 16 · Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz p. 7.Note 17 · Urheberrecht p. 138.Note 18 · De onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht van belang. Men zie b.v. Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst, 2e Aufl. BerNote 19 · Gierke t. a. p. p. 770.Note 20 · Men zie b.v.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts p. 13; Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly t. a. p. pp. 11Note 21 · N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96.Note 22 · T. a. p. pp. 102 sqq.Note 23 · J. G. Robbers Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en beschouwingen, Amsterdam 1896 p. 13.Note 24 · Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een brief van een krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de WNote 25 · Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet spreekt van letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief begrip acht;Note 26 · Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de bovenbesprokeNote 27 · Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905 p. 42.Note 28 · Men zie b.v.: Ludwig Noiré, Max Müller und die Sprach-Philosophie, Mainz 1879 pp. 36 en 81.Note 29 · Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachwissenschaft (erster Teil, Die Sprache im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.Note 30 · T. a. p. p. 51.Note 31 · Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. ’s Gravenhage 1900 p. 457.Note 32 · T. a. p. p. 459.Note 33 · Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October 1908 dNote 34 · T. a. p. p. 15.Note 35 · T. a. p. p. 62.Note 36 · T. a. p. p. 54.Note 37 · Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena II (Arthur Schopenhauer’s sämmtliche Werke, herausg. v. Eduard Grisebach V p. 602, variantNote 38 · Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197.Note 39 · L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260.Note 40 · Frederik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang, 1889 deel IINote 41 · F. van der Goes, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe Gids enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279.Note 42 · Dat met name het begrip „klankexpressie” niet eene uitvinding was van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van Dijk in Note 43 · Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345.Note 44 · T. a. p. p. 346.Note 45 · Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.Note 46 · T. a. p. p. 259.Note 47 · Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos.Note 48 · Men zie het boven aangehaalde van L. van Deyssel (p. 152).Note 49 · Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz pp. 33, 34.Note 50 · De vertaling van Akëdysséril, L. van Deyssel, Verzamelde opstellen IV pp. 181 sqq. Het artikel van prof. van Hamel is te vinden in de Gids 1Note 51 · T. a. p. p. 183.Note 52 · T. a. p. p. 187.Note 53 · Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding eener Virgilius-vertaling, Nieuwere Literatuur-geschiedenis IV pp. 12 sqq.Note 54 · In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk uitgemaakt, dat iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt eiland „... mustNote 55 · Louis Blanc, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234.Note 56 · Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook de beschouwingen van Av. Henri Rosmini in denzelfden zin, D. A. 1895 pp. 21 sqNote 57 · Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97.Note 58 · Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud bestaat ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter, valleNote 59 · Men zie pp. 137 sqq.Note 60 · Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30.Note 61 · Reichsgericht 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, Börsenblatt 12 Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152.Note 62 · Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140.Note 63 · Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79.Note 64 · Medegedeeld door: P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896 p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121.Note 65 · Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais 16 Juni, Gazette des Tribunaux 18 Sept. ’96), medegedeeld door: A. Darras D. A.Note 66 · D. A. 1894 p. 73.Note 67 · D. A. 1908 p. 152.Note 68 · Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum) door A. Darras, D. A. 1892 p. 151.Note 69 · Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84.Note 70 · Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130.Note 71 · Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123.Note 72 · Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64.Note 73 · Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98.Note 74 · Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892 pp. 64 sqq.Note 75 · Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38.Note 76 · Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61.Note 77 · Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74.Note 78 · Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men nog bij: Kohler, Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und artistische KunstwNote 79 · W. v. h. R. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6.Note 80 · W. v. h. R. no. 5512.Note 81 · W. v. h. R. nos. 6646 en 6647.Note 82 · Men zie b.v.: Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. p. 27, Veegens, t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de Pinto t. a.Note 83 · Handel. Tweede Kamer 1876–1877. Bijlage 202.Note 84 · Handel. Tweede Kamer 1880–1881 p. 1648.Note 85 · Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112.Note 86 · Cf. boven p. 162.Note 87 · Het auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112.Note 88 · Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam van 27 Dec. 1843, W. v. h. R. no. 464.Note 89 · Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van het bovengenoemde art. 6 der Berner Conventie op het Congres der Association te NeucNote 90 · Cf.: Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk enz. p. 183.Note 91 · Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p. 4; J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in: „Pro en ConNote 92 · Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII p. 249.Note 93 · Men zie b.v.: Doorman t. a. p. p. 10, Kok, t. a. p. resp. p. 43 en p.27.Note 94 · Cf.: Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, Bern 1906 ppNote 95 · Men zie: Röthlisberger t. a. p. p. 184.Note 96 · J. D. Doorman, t. a. p. p. 14.Note 97 · D. A. 1899 pp. 52, 53.Note 98 · D. A. 1899 pp. 53, 54.Note 99 · D. A. 1900 p. 28.Note 100 · Cf. hierboven pp. 166 sqq.Note 101 · Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohler, Urheberrecht pp. 152 sqq.; men zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124.Note 102 · D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisberger t. a. p. p. 235.Note 103 · Actes 1896 p. 173.Note 104 · Actes 1908 p. 257.Note 105 · Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.Note 106 · Men zie: Mr. Veegens t. a. p. pp. 90 sqq.Note 107 · T. a. p. p. 6.Note 108 · M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van muziekwerken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het OntwerpNote 109 · Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970.Note 110 · W. v. h. R. no. 5785.Note 111 · W. v. h. R. no. 6019.Note 112 · Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie.Note 113 · Cf.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts (Stuttgart 1888) p. 78.Note 114 · M. v. T. t. a. p. § 2.Note 115 · T. a. p. p. 79.Note 116 · J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80.Note 117 · J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.Note 118 · Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften, zooals door sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran d’Ache, GibsNote 119 · T. a. p. p. 79.Note 120 · Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in plaats van „vijfNote 121 · Urheberrecht p. 132.Note 122 · Autorrecht p. 189.Note 123 · Men zie ook: Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst, enz. pp. 59 sqq.Note 124 · Men zie boven pp. 149 sqq.Note 125 · Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq.Note 126 · Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie.Note 127 · T. a. p. p. 80.Note 128 · T. a. p. pp. 24 sqq.Note 129 · Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:Note 130 · Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148.Note 131 · Men zie hierover de belangrijke beschouwingen van Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 150 sqq.Note 132 · Zij wordt o. a. door Schuster verkondigd t. a. p. p. 195.Note 133 · T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: Viotta pp. 55 sqq.Note 134 · T. a. p. pp. 244 sqq.Note 135 · Cf. in denzelfden zin: Kohler, Urheberrecht p. 198.Note 136 · Zoo b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.Note 137 · T. a. p. p. 228.Note 138 · Autorrechtliche Studiën, Archiv für civilistische Praxis 85 p. 397.Note 139 · Handel. Tweede Kamer 1880–1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook: Mr. J. D. Veegens t. a. p. p. 86.Note 140 · Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21.Note 141 · Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 167 sqq.Note 142 · Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905, D. A. 1905 p. 76.Note 143 · Cour d’appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76.Note 144 · Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63.Note 145 · Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46.Note 146 · Cf. Prof. Dr. W. Vogelsang, Aesthetiek en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleeraars-aNote 147 · Cf. Swart t. a. p. p. 58.Note 148 · Kunstwerkrecht p. 27.Note 149 · Cf. boven pp. 133, 134.Note 150 · Cf. ook: Swart t. a. p. pp. 58, 59.Note 151 · Men zie boven p. 12.Note 152 · Cf. Kohler. Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 38 sqq.Note 153 · Das literarische und artistische Kunstwerk p. 48.Note 154 · Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47.Note 155 · Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26.Note 156 · Eene stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. Swart in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.Note 157 · Swart t. a. p. p. 86.Note 158 · Handel. Tweede Kamer 1883–1884. Bijlage 166–3 p. 5. Cf. ook: pp. 6 en 7 ad art. 11.Note 159 · Eenigszins in denzelfden zin: Swart, t. a. p. pp. 69 sqq.Note 160 · Men zie hierover o.a.: D. A. 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113 sqq. en 125 sqq.Note 161 · Men kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: Verslag van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de namaak hiNote 162 · Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer, Scheveningen z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare beteekenisNote 163 · Cf. boven p. 201.Note 164 · Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie meestal aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 voortvloeide; zie o.Note 165 · Men zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, D. A. 1891 p. 21; Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door P. Wauwermans, DNote 166 · Men zie voor Italië: Amar in D. A. 1902 p. 62.Note 167 · De grondslag—of zoo men wil: de inhoud—van elk werk van beeldende kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze ontbreekNote 168 · Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het oogpunt Note 169 · Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet aangaNote 170 · In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij den eNote 171 · De „vorm” is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken inNote 172 · Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische Note 173 · In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is, waar hetNote 174 · Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling, dNote 175 · Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische Note 176 · In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de laatste jareNote 177 · Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter aannemen,Note 178 · Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan, of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare producten ondNote 179 · Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was, daar Note 180 · Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden gemaaktNote 181 · „Denn so kehrt der Gott sich dir ab, So küsst er die Gottheit von dir!”
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings