De objecten (continued 2)
Reading edition
Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.
Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen, beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of teekening, waarvan niemand kan zeggen „wat het voorstelt”, is niet als werk van beeldende kunst te beschouwen.
Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?
Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter iets anders dan wat ik hierboven noemde de „innerlijke voorstelling” van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op dezelfde wijze behandeld worden.
Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud zijner schepping noemen. Zij is het „imaginäre Bild”,—de „innerlijke visie” zou men hier zeggen—die in verschillende vormen aanschouwelijk kan worden gemaakt.
Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.
Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel, crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor de schilderkunst: het is dikwijls vooral de „manier van schilderen” waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen, dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze der twee kunstenaars.
Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met: melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.
Object van auteursrecht is—zooals altijd—alleen datgene, wat de schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de „innerlijke voorstelling”. Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie wijzigingen zijn aangebracht.
Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt, wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een andere ets wordt gemaakt.
Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen van den stijl of de „manier” van een ander, voorzoover dit op nieuwe onderwerpen wordt toegepast.
Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht, bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.
Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu in het volgende even te wijzen.
Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt verleend, indien de reproductie „op wettige wijze” is gemaakt. Dit beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden voor, om alleen de „wettige” reproductie te beschermen. Ik kan hier verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler—is daar betoogd (p. 179)—heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of zijne vertaling al dan niet „rechtmatig”, d. w. z. niet in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver, is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het oorspronkelijke werk.
§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst
Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk dezer onderwerpen—en in het bijzonder over de kunstnijverheid—zou in verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid niet achterwege meende te kunnen laten.
Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.
De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar zij niets in beeld brengen. Zij missen een „geestelijken inhoud”; hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid, die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten, handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen, boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn; ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.
In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging of het eerste verschijnen.
De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen, rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming van het auteursrecht te onthouden.
Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.