← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 147 — De objecten (continued 2)

Reading edition

De grondslag—of zoo men wil: de inhoud—van elk werk van beeldende kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien, die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van beeldende kunst te doen147. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende kunst karakteriseert als: „Darstellung einer Weltschöpfungsidee”148. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken, kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst is, dat het „iets voorstelt.” De voorstelling, d. w. z. datgene wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan, kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel geen werk van beeldende kunst149. Evenmin zijn als zoodanig te beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor realiteit te laten doorgaan, vreemd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings