Stellingen
Reading edition
I
Onjuist is de meening, dat de boekdrukkers-privilegiën, die in ons land in de zeventiende en achttiende eeuw werden verleend, niet voor overdracht vatbaar waren en met den dood van den bevoorrechten persoon tenietgingen. (Proefschr. pp. 20 sqq.)
II
In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegiën heeft men ten onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen eigendom der schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.).
III
Het auteursrecht is te beschouwen als een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp. 108 sqq.)
IV
Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie, Staatsblad no. 213, berust op eene onjuiste opvatting van den aard van het auteursrecht.
V
Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een integreerend bestanddeel van het auteursrecht worden beschouwd. (Proefschr. pp. 143 sqq. en 180 sqq.)
VI
Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht te komen is het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner Conventie ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst.
VII
Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet voldeed niet aan den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene dergelijke wet wordt gesteld.
VIII
De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene wet is in strijd met de Grondwet.
IX
Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn stembiljetten, die volgens een vroeger model zijn gedrukt, van onwaarde.
X
Het recht van preferentie, toegekend door de artt. 1185 3o en 1190 B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde goederen, die zich in handen van den kooper bevinden, eene dusdanige bewerking hebben ondergaan, dat zij zich niet meer in denzelfden staat bevinden.
XI
Het is voor de totstandkoming van een geldige hypotheek krachtens art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de hypotheekgever op het oogenblik der inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het artikel eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de hypotheek verleend wordt.
XII
Om „getuige” te zijn ingevolge art. 50 B. W. bij het opmaken van eene akte van overlijden is niet noodig, dat men de vereischten bezit, die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden gesteld.
XIII
De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst ingevolge art. 37 der Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de wederpartij van den gefailleerde mocht toekomen, niet op.
XIV
De uitdrukking „te berde brengen” in het eerste lid van art. 41 R. O. is niet in dien beperkten zin op te vatten, dat het schriftelijk bewijs van huur aan den kantonrechter zou moeten worden overgelegd om diens bevoegdheid uit te sluiten.
XV
Van de beschikking van den president der Rechtbank ingevolge art. 821 Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het Hof open.
XVI
Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v. Strafr. kan gepleegd worden door middel eener afbeelding, zonder telastlegging van een bepaald feit.
XVII
Diefstal van electrische energie is mogelijk.
XVIII
Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub 2o der Leerplichtwet wordt niet strafbaar, doordat zij gepleegd is binnen een jaar na eene andere overtreding, hetzelfde kind betreffende, waarvoor de overtreder ingevolge art. 23 § 1 sub 4o onherroepelijk is veroordeeld of de boete vrijwillig heeft betaald.
XIX
Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de Overheid bij de bepaling der prijzen van de door haar geleverde goederen en diensten, rekening moet houden met de ongelijke koopkracht van hare verschillende afnemers.
XX
Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van hen, die in Lex 7 § 1 D. 13, 1 willen lezen: „habet actionem furti et condictionem aut vindicationem”.