← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Omvang en duur

Reading edition

§ 1 Omvang

Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit sluit—zooals daarbij reeds werd opgemerkt—het beginsel in, dat den auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie waartoe het geestesproduct zich leent.

In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid; ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke schepping van den bouwkundige.

In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen, uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel- en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van kinematograaf en phonograaf.

Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen, evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem genoemd met opvoeringsrecht, die dan als „bijzondere” of „afgeleide” rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht (kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen, zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden, enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden: 1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden?

De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld; daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de orde is gesteld.

Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende exploitatie-middelen.

I Het door den druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken

De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften en muziekwerken is die door middel van den druk; het uitsluitend recht dat hierop betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren, dat de uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding is geweest voor het ontstaan van het auteursrecht.

Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan worden, geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange jaren van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate van standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen.

II Het maken van afschriften

In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden, b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt; de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: „met of zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst”, werd overbodig geacht.

Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32, Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19 Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden; verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje).

III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten en phonografen

Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten of muziek-uitgevers.

Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland, het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866 was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.

Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders, metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions, orchestrions, phonola’s, pianista’s, pianola’s enz. enz., heeft men ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen.

Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond, dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de concurrentie met de buitenlandsche.

De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk noemen een „door den druk gemeen maken”, al worden misschien bij de verveelvoudiging ervan procédé’s gevolgd, die groote verwantschap met den druk vertoonen.

Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik hunner werken beschermd zijn. „Wat is het wezen van het regt dat men aan de auteurs toekent?” wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2) gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: „Het is de uitsluitende bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen de materiele waarde aan van het werk.” Men kan aannemen, dat voor de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn gemaakt, indien zij toen reeds—wat nu ongetwijfeld het geval is—had behoord tot diegene, welke „inderdaad van beteekenis zijn”. Had men het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om in plaats van: „door den druk gemeen te maken” in de wet te lezen: „langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te brengen” of: „door den druk of op andere wijze gemeen te maken”, dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men achtte echter—met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd—de oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd.

IV Reproductie door den kinematograaf

Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten, pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus, indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen (waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen, die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren; waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes, balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing van den kinematograaf is—het moet worden toegegeven—tot nu toe nog weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke, binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder huis heeft veroverd!

In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking „door den druk gemeen maken” is gezegd in verband met de mechanische muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel, waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is, den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden.

V Op- en uitvoering

De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld het werk volkomen te genieten.

Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval; slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit- of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.

Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave, tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15).

Men heeft ook beweerd—en dit betreft in het bijzonder het uit- en opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen—dat juist datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd, daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd, dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de uitgave zijne toestemming te hebben gegeven.

Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: „elke uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd wordt” (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen, dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling.

VI Voordracht

Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren—in het bijzonder hier te lande—kan worden waargenomen, behooren openbare voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van declameeren en verzen-„zeggen” is—naar het mij voorkomt—tegenwoordig weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel—hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk—door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt, elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken, terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te eerbiedigen.

Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.

VII Reproductie van werken van beeldende kunst

Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe „verwerkelijkingen”. In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm, mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden teruggevonden.

Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden.

Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907 art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het „afbeelden langs mechanischen weg” zonder toestemming van den auteur verbiedt.

Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien; het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder „exemplaar” ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is.

Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.

§ 2 Duur

Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen, te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.

Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan; een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den eigendom missen.

Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is, maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen (geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.

Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft trouwens geen reden van bestaan.

Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk, maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare, Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men van—op zichzelf misschien even waardevolle—werken van tijdgenooten niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou—wat het anders niet heeft—hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort.

Het is—eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht aangenomen—terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig erkend worden.

Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al te willekeurig gekozen schijnt.

Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt men—behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier hierboven reeds genoemde staten geldt—dat er twee hoofdsystemen hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs, volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken, Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg, Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador, Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een gemengd stelsel.

Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is, terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat alle werken evenlang beschermd zijn, en niet—zooals volgens het andere stelsel—de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep, waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als zijn mede-auteur te laten optreden.

Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen—waarvan ik de beteekenis niet wil ontkennen—zijn echter ook enkele nadeelen te stellen, die het andere stelsel niet heeft.

Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor elk werk—liefst volgens officieele gegevens—vaststa. Onze wet (art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem, die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van het stelsel, daar—zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te toonen—voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing daarvan zeer gewenscht is.

Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur.

Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden, nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.

Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen: tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel zou men wellicht nog verder willen gaan.

Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt, binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk, dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht, hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten, eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden, schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een enkelen staat erkenning vindt.

Notes in this chapter

Note 1 · Cf. Kohler, Urheberrecht p. 209.Note 2 · Urheberrecht p. 177 noot 10.Note 3 · Men zie het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29 Sept. 1891 Paleis van Justitie 1891 no. 93.Note 4 · Kohler, Urheberrecht pp. 181, 182.Note 5 · Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62.Note 6 · Memorie van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.Note 7 · Av. Rosmini, Lettre d’Italie, D. A. 1894 p. 74.Note 8 · Medegedeeld door: Darras, D. A. 1890 p. 77.Note 9 · Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130.Note 10 · D. A. 1897 p. 45.Note 11 · D. A. 1908 p. 107.Note 12 · Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook het arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908, medegedeeldNote 13 · Tribunal Civil de la Seine 1re ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908 p. 118.Note 14 · Deze bewering, afkomstig van „vele leden”, vindt men in het voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.Note 15 · Urheberrecht p. 185.Note 16 · Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans, D. A. 1893 p. 19; Rosmini, D. A. 1893 pp. 60 sqq.Note 17 · In dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892, D. A. 1892 pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter de muziek, die op gNote 18 · Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste overwegingen van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar vonnis van 19 Note 19 · Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling van Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de DuitschNote 20 · Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61.Note 21 · D. A. 1908 p. 110.Note 22 · Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq.Note 23 · D. A. 1901 p. 32.Note 24 · In dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908 p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55; Hof vanNote 25 · Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.Note 26 · Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk is versNote 27 · Cf. Swart t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijvers.Note 28 · In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht soms meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.: Het Land vaNote 29 · Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde van Mr. Freseman Note 30 · Urheberrecht p. 232.Note 31 · Kohler, Autorrecht p. 51.Note 32 · Men zie b.v.: de Ridder t. a. p. p. 248; M. v. T. W. A. R. Handel. Tweede Kamer 1876–1877. Bijl. 202 § 4; Freseman Viëtor, Kantteekeningen eNote 33 · Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog enkele opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij te pas koNote 34 · De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu duidelijkNote 35 · Het „recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken”, zooals onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen, welke aangNote 36 · Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als eene daad van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het doel ze oNote 37 · Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd exemplaaNote 38 · Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men achtte het onnoodig dit te verbieden: „slechts die ongeoorloofde vermenNote 39 · Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene explNote 40 · Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te viNote 41 · Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele wet uitdrukkeNote 42 · De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstellinNote 43 · Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden, geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde kenmerkenNote 44 · Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel Note 45 · Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin mag het doeNote 46 · De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkigeNote 47 · Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover de biNote 48 · In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten, waar men Note 49 · Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in het openbNote 50 · In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar omschreven als „het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te Note 51 · Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele verwerNote 52 · Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een rechNote 53 · Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten, zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt een Note 54 · Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen; dat heNote 55 · De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds dikwijls—ook in ons land—uitvoerig besproken32; ik meen daarom daarover kort te Note 56 · In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt ku
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings