Note 27 — Omvang en duur
Reading edition
In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar omschreven als „het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen” (art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook die, waarbij geene verspreiding of „gemeen making” het doel is. Het Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden27.