← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Bijlage II

Reading edition

Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken van beeldende kunst

(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884–1855 tweede zitting 72–5.)

§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op werken van beeldende kunst

Artikel 1

Het recht om een werk van beeldende kunst op oorspronkelijke grootte, op grooter of op verkleinde schaal, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen of dit door anderen te laten doen, hetzij door middel van dezelfde of door eene andere beeldende kunst, of langs mechanischen weg, komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken vervaardiger van het kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.

Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve op bouwkundige teekeningen en modellen.

Artikel 2

Met den oorspronkelijken vervaardiger worden gelijkgesteld:

a. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in art. 1 bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van onderscheidene kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;

b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte kunstwerken.

Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage afzonderlijk, voor zoover niet het tegendeel is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten toepassing.

Artikel 3

Als nabootsing wordt niet beschouwd:

a. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het scheppen van een nieuw kunstwerk;

b. het maken van eene copie voor eigen studie van een kunstwerk, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel van winstbejag geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat het eene copie is.

In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk voorkomende, na te maken;

c. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere afbeeldingen van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst dienende, en

d. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.

Artikel 4

Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.

Artikel 5

Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt beschouwd als eene onlichamelijke roerende zaak.

Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over bij erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.

Artikel 6

De levering van een kunstwerk, waarvan het auteursrecht is gewaarborgd volgens § 2 dezer wet, geldt niet als eigendomsverkrijging van het auteursrecht voor den bezitter, die niet de oorspronkelijke vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk bewijs kan aantoonen, het auteursrecht met het kunstwerk te hebben verkregen van den oorspronkelijken vervaardiger of diens rechtverkrijgende.

Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.

Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet verkregen, kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in zijne woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, nabootsingen of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het tegendeel is overeengekomen.

§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op werken van beeldende kunst

Artikel 7

Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst vervalt, indien de oorspronkelijke vervaardiger of zijn rechtverkrijgende niet vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens door Ons vast te stellen model, inzendt bij een der Departementen van algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat het kunstwerk in platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving een exemplaar ingezonden.

Artikel 8

De betrokken Minister geeft aan den inzender een gedagteekend bewijs van ontvangst van de beschrijving en van het exemplaar af.

De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.

Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen.

De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in Rijksverzamelingen worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, aanduidende dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van ontvangst is afgegeven.

Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.

§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van beeldende kunst

Artikel 9

Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 8.

Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht levenslang.

Artikel 10

Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend.

Artikel 11

Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn de artt. 7 en 8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het bewijs van ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft.

§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van beeldende kunst

Artikel 12

Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, wordt hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig cents en ten hoogste vijf duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn, alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.

Artikel 13

Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, verkoopt, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.

Artikel 14

De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden niet vervolgd, dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. Gaan die misdrijven gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar bedrog, dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen ten aanzien der strafvervolging.

Artikel 15

De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen worden aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is gemaakt, of aan zijn rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het veroordeelend vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van zoodanige aanmelding worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.

Artikel 16

Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in art. 1 of 4 bedoeld, toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd, ook zelfs wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of nagelvast zijn gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken worden begrepen.

Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het losmaken der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren vastgehecht, toegebracht.

Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.

Artikel 17

Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd heeft, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Artikel 18

Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede zinsnede, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste duizend gulden.

§ 5 Slotbepalingen

Artikel 19

Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken vervaardigd door in Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars.

Artikel 20

Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.

De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de zorg van dezen hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de Javasche Courant, en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer wet aan den betrokken Minister in Nederland opgedragen.

De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor Nederlandsch-Indië van toepassing de overeenkomstige bepalingen van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil, dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.

Artikel 21

Deze wet treedt in werking ........

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings