Note 162 — De objecten (continued 2)
Reading edition
Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan, of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft, hier over deze vraag in beschouwingen te treden162. Iedereen zal het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen, die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al „bij ongeluk”, eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft, dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen.