← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 89 — Grondslag en rechtskarakter

Reading edition

Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product van kunst of letterkunde. Doch—en hiermede kom ik tot het tweede punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken—niet alle bevoegdheden der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele onzer schrijvers wordt gebruikt89. Onder persoonlijkheidsrecht heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan noemen „Recht an der eignen Person” in tegenstelling met de rechten aan zaken en de rechten aan andere personen90. De objecten van dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede, eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken kring is gezegd of geschreven en vele andere „onrechtmatige daden” van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte rekent hij de geestesproducten tot de „Persönlichkeitsgüter”; hetgeen dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar, dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt, „iets van zichzelf” in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit, dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft, maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven, doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband: „eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem Geschaffenen”91. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van het auteursrecht is, aanduidt als „ein Geisteswerk, das kraft seiner Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat”92. Hiermede is moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het auteursrecht, een „von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut” is93, waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen van het „Persönlichkeitsgut” wordt losgelaten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings