Note 66 — Grondslag en rechtskarakter
Reading edition
Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten als eigendom en auteursrecht is al gewezen66. Doch met dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers de theorie gaat uit van een „vrij” economisch verkeer, waarin de nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een „künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs”. Doch deze „Distributivgerechtigkeit”, welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan daartegen geen bezwaar bestaan—er is trouwens bijna geen economische theorie waarbij dit niet wordt gedaan—; doch bij deze instellingen, wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het auteursrecht. In het „vrije” verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene „vrijheid”, waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.