Note 44 — Grondslag en rechtskarakter
Reading edition
Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, „dat de schrijver.... zonder positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren op grond van algemeene rechtsbeginselen”44; dan weer heet het: „er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren”45; mr. de Ridder stelt, dat „uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer” de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne tweede stelling is: „Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde auteurs”46. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus: „Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd nog niet aangetoond”47. En hieruit volgde, naar dezen spreker, dat aan het auteursrecht geen „civilistische grondslag” tot basis kon worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden op economisch-politische overwegingen (dus: „het algemeen belang”), waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.