Note 31 — Internationaal auteursrecht
Reading edition
Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites), waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het woordje „licite” af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij de toepassing. Tot de „geoorloofde” vertalingen behooren natuurlijk ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886 is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land „geoorloofd” was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten worden, „ongeoorloofd”. Was zulke eene vertaling nu in het Verbond beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren van het besproken artikel de aandacht te vestigen31.