← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 15 — Internationaal auteursrecht

Reading edition

De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde15, vernomen; er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld, nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken, niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het artikel worden aangeduid16.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings