Note 25 — Internationaal auteursrecht
Reading edition
Choregraphische werken—Ten aanzien der choregraphische werken bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2 waren de Verbondslanden „wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale werken ook de choregraphische werken begrijpt” gehouden ze van „de voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst” te laten genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel te Bern25 als te Parijs26 stuitten deze pogingen op bezwaren af van de andere mogendheden. Het begrip „choregraphisch werk” stond nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn, bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd verzekerd.