Note 101 — Historische inleiding
Reading edition
Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een aantal „loodjes”, de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586, leest men o. a.: „My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate, die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben”101. De waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers, die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele gevallen gaf hij eene renumeratie in geld102.