Note 168 — Historische inleiding
Reading edition
De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1), dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het auteursrecht („het recht van eigendom of van kopij”), hetwelk de wet van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend „gedurende denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land het recht wordt uitgeoefend, ’twelk aan de schrijvers van de aldaar uitkomende werken van gelijken aard is toegekend”. Deze rechten kunnen echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie in eene andere taal.168 Feitelijk bestaat dus een uitsluitend vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het, m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen169. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming, welke het verleent, in de practijk weinig beteekent.