Note 61 — Historische inleiding
Reading edition
In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 161061 wordt voorgelezen eene „acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor notaris ende getuigen” waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer verklaart, dat haar man „... in syn leven ende sekere jaren voor syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen, daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken, als die voorn. haer man saliger in syn leven in ’t licht gebracht ende uitgegeven laten heeft, etc.” Na den dood van den voornoemden Cornelis Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor „alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer,” zonder het oude octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden, indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.