Note 120 — Historische inleiding
Reading edition
Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren aangewezen—zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet—„de auteur en zijne rechtverkrijgenden.” Het verschil ligt echter niet alleen in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend Lichaam deed toekomen120. Daarin wordt als doel van de wet, naast bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken, nog genoemd: