Note 131 — Historische inleiding
Reading edition
In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden131. Nadat over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T.132 wordt erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van de vage term „letter- en kunstwerken” van de wet van 1817; voorts de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9); dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a Ontw. ’77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen (artt. 14–17 Ontw. Boekh., artt. 20–22 Ontw. ’77).