← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Zwina

Reading edition

Een man had zijne echtgenoote. Hij was getrouwd, hij kende zijne vrouw, eindelijk baarde zij twee kinderen, Zwina en Nkenge: zij Zwina, de oudste, Nkenge, de jongste.

Maar deze kinderen, toen zij geboren werden, werden geboren terzelfdertijd met bladeren van meloenplanten.

De kooplieden vroegen aan den vader van Zwina: Zijn er misschien in uw dorp geene maagden, om er mee te kouten?

De vader van Zwina, alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijne twee kinderen verwittigen, dat zij komen, dat zij met u komen spreken.

Die jongeling van Makela, toen hij de twee meisjes zag aankomen, sprak alzoo: Ik, Zwina.

Een andere: Ik, Nkenge.

Zij traden in huis, kwamen dichter bij elkander en begonnen te vertellen. Hij, de jongeling van Makela, zegde, alzoo: Gij, Zwina, ik trouw u.

Zij, Zwina, alzoo: Ik, vele jongelieden hebben mij verlaten. Mij konden zij niet.

Hij, aldus: Ik alleen, ik trouw u.

Zij gingen ’t vragen aan vader en moeder. Hij, de vader, nam het aan, alzoo: Wij trouwen haar met dien schoonen jongeling.

De moeder, alzoo: ’t Is goed, gelijk gij, haar vader, gezegd hebt. Ik, moeder, zou ik weigeren?

De vader, dus: ’t Is goed, wij zullen haar dus trouwen. In een verafgelegen land baart men kinderen.

Zij trouwden Zwina; Nkenge, zij niet.

Die inwoner van Makela, alzoo: Ik, ik ben immers hier, betalen zal ik zeker. Laat ons buitengaan, stelt eerst ’t familiegeld.

Zij gingen buiten. De vader zegde: Ik heb het kind gebaard, (geef mij daarom) mijn slaaplaken; en daarenboven drie levende geiten.

Haar oom kwam buiten, alzoo: Ik, al mijn geld hebben zij opgeëten; maar (geef mij) mijn draagmes alleen.

Toen zij dat afgesneden hadden, hij de inwoner van Makela, alzoo: Zoo is ’t goed voor mij, maar nu snijd den huwelijksbrief.

Zij sneden den huwelijksbrief; hij besloot zes duizend mitakos.

Hij, de inwoner van Makela, alzoo: ’t Is wel. Betalen zal ik, al wat gij mij afgesneden hebt.

Hij oordeelde deze zes duizend mitakos goed; hij beval aan zijne slaven, alzoo: Gaat mijn geld en kleedingsstoffen halen.

Zij gingen en zij kwamen. Zij haalden drie groote stukken roode stof te voorschijn, betaalden ze drie duizend mitakos; toonden weer een grijze stof, betaalden haar duizend; toonden weer een beddedeken, betaalden het vijfhonderd; een heel stuk blauw goed van acht vadems, betaalden het duizend vijf honderd.

Al het geld was op, en hij sprak alzoo: Welaan! Kleed mijne vrouw aan.

En zij deden ze vast aan de voeten van zijne vrouw; hij ging weer tien armbanden halen, en gaf ze aan zijne vrouw.

Vader en de oomen hadden dat gaarne. Zij zegden: Al zijne zaken heeft hij gegeven, maar waarom houden wij zijne vrouw?

De vader ging binnen in huis, beval aan de slaven, alzoo: Gaat verkens halen en doodt ze.

De slaven gingen, bonden de verkens vast, doodden ze.

Hij beval weer, alzoo: Slaat tien kiekens dood.

De slaven grepen tien kiekens en zij hadden ze gedood.

De moeder maakte tien groote maniokbrooden gereed, alzoo: Zwina, ’t is haar vertrek. Maar gij, echtgenoot, kom nader; wij zullen ’t akkoord maken tusschen u en uwe vrouw.

De echtgenoot kwam.

Zij, de moeder, alzoo: Wel, gij, man, waar gij gaat met Zwina, zij, zij put geen water, zij, zij raapt geen hout op, zij, zij werkt niet. Mijn kind, alle dagen sinds dat zij geboren is, weet niet wat werken is, noch hoe men water put, zij weet dat niet.

Hij, de man, alzoo: ’t Is goed, daar waar zij gaat, wie haar water beveelt of hout, niemand.

De moeder sprak, alzoo: ’t Is zoo, vader. Waar gij gaat, verzorg goed uwe echtgenoote.

Zij gingen kiekens en verkens slachten en voorbereiden; zij kwamen den inwoner van Makela en zijn volk spijzen. Zij aten alles; zij groetten malkander met handgeklap. De vader van Zwina ging tien kruiken palmwijn halen, hij kwam en ging ze laten drinken.

En zij dronken, zij dansten, zij sliepen.

A! de zon was opgegaan, ’t was klaar geworden.

Hij, de jongeling van Makela, kwam buiten, alzoo: Geef mij mijne vrouw; ’t is mijn vertrek. Geef mij mijne vrouw.

Zij, de moeder, zegde zoo: Wacht, dat zij al haar dingen vastgebonden heeft.

Zwina had al hare glorie vergaderd, legde het in haren korf en gaf dezen aan hare zuster Nkenge.

Zij, Nkenge, zou met hare oudste zuster medegaan.

Hij, de jongeling sprak zoo: Zwina mag niets dragen.

Zij droegen zijne vrouw.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij kwamen in hun dorp aan. Zij schoten weer met ’t vuur. Heel het dorp kwam kijken naar haar, Zwina. Zij zat neer op haar bed. Hij, de man, beval eene geit te dooden, hij kwam en spijsde zijne vrouw.

Zij, de vrouw, in ’t begin at maar een broksken, zij at niet veel. Hij, de man, alzoo: Toe, eet maar!

Zij sprak: Ik volstrekt, ik eet langzaam.

Haar zuster, Nkenge, sprak ook: Kom aan, eet, wat zijt gij beschaamd!

En zij waren, zij waren, bijna drie maanden verliepen.

Hij, de man, alzoo: Verder de streek in, ga ik koophandel drijven, waarschijnlijk binnen vijf maanden kom ik hier terug!

Hij liet zijne vrouw aan zijn jongsten broeder te bewaken, alzoo; He, broer, sla goed mijne vrouw en mijne schoonzuster gade, totdat ik terugkom.

Waar zij bleven, ging de tijd voorbij, ging de tijd voorbij.

De jongste broeder zegde, alzoo: Blijft hier, ik ga mijn geld halen aan den anderen kant van de rivier; de dag is gesteld.

De schoonmoeder van Zwina en Nkenge bleef in ’t dorp. De schoonmoeder zegde, alzoo: Vandaag, gij Zwina en Nkenge, wij gaan maniok uitdoen, laat daar uw maagddom.

Maar Zwina begon te weenen, alzoo: Ik, Vader en Moeder hebben mij verboden, alzoo: Gij moogt niet werken. En vandaag dus: Laat ons maniok uitdoen. ’t Is wel vooruit!

Maar hare zuster Nkenge sprak dus: Mijn oudste, dat zij blijve: ik ga mee om maniok uit te doen.

Zij gingen, zij deden drie korven uit; zij legden hem in ’t water, opdat hij rotte, en zij kwamen terug in ’t dorp.

De jongste broeder was teruggekomen, hij kwam ’t huis binnen. Toen hij Zwina zag, die weende, vroeg hij aan Nkenge, alzoo: Zij, Zwina, wat weent zij?

En zij antwoordde: Uwe moeder heeft met haar twist gemaakt, dat zij ging om maniok uit te doen.

De schoonbroer nam ’t geweer: Gij, vrouw, gij zoekt twist met Zwina; gij zijt een wangedrocht van uwe moeder, ik schiet u dood.

Vier dagen waren vervlogen, sedert men maniok in ’t water gelegd had. De schoonbroeder vertrok daar, waar men den dag gesteld had om zijn geld te ontvangen, want hij had nog niets ontvangen. En hij was gegaan.

Nkenge sprak dus: Gij, moeder, aan mijn oudste zuster heeft Vader en Moeder dat verboden, en gij dus, gij vervolgt altijd mijne zuster om maniok af te schillen.

Zwina ook werd boos, alzoo: Welaan, laat ons maniok afschillen.

En zij gingen, zij haalden maniok uit ’t water, zij pelden hem af.

Zij, de schoonmoeder, sprak: Gij, Nkenge, ga naar ’t hooge gras om varenkruid te halen, wij doen het eerst onder in den korf, zoo bederft onzen maniok niet. Ik ook, ik ga de rivier op, ik zal gaan bladeren van bananen halen. Zij, Zwina, dat zij hier blijve.

De mannen kwamen toegeloopen; maar de boa had haar man reeds ingeslikt; zij schoten die boa.

En de boa veranderde in de moeder van den man van Zwina.

Men stond verbaasd. Vol verbazing en verbazing, alzoo: Wat! Die moeder is nu de vrouw van ’t kind geworden.

De jongste broer zegde, alzoo: Wat kan men er aan doen? Nu is ’t toch te laat. Alle beiden zijn doodgegaan.

Zij deden de moeder open, en haalde Zwina er uit; alle beiden, bond me ze in kleedingsstukken.

De moeder, legde men op eene plaats; Zwina, legde men op een andere plaats.

En de tijd ging voorbij, en de tijd ging voorbij.

En de tijd vervloog, en hij vervloog, en hij vervloog.

Toen hief zij eenen zang aan, alzoo: Kindengele, kindengele, kindengele Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven!

En daar, zij hoorde iets in de verandah, een lied ook: Ik weet, dat gij mij beweent op uwe lier!

Nkenge liet hare lier vallen, luisterde nog naar de verandah, alzoo: Ik ga stillekens buiten, dat ik zie!

En zij sliepen. ’s Morgens, toen het klaar geworden was, was de man gaan wandelen. ’t Was middag geworden. Nkenge zegde, alzoo: Ik zal mijne lier nemen, dat ik weene.

Nadat zij haren zang had aangeheven: Kindengele, kindengele, kindengele, Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven! Zij hoorde in de verandah ’t lied weer, alzoo: Ik weet wel dat gij mij op uwe lier beweent.

Nkenge liet daar haar weenen: Wacht, ik kijk.

Toen zij buiten ging, zij, zij zag niemand. Zij liet alles stil, zij zegde geen woord aan niemand. Tegen den avond, toen de zon was ondergegaan, kwam de man terug; zij vertelde hem ’t gebeurde, alzoo: O man, dit dorp, men vervolgt mij hier!

De man, alzoo: Hoe?

Wel, gisteren, tegen den noen, was ik aan ’t weenen. Toen hoorde ik iemand in de verandah, die zegde, alzoo: Ik weet dat gij mij op de lier beweent. Toen ik buitenging, toen ik rondkeek, ik zag niemand.

De man, alzoo: Is ’t waarheid, dat gij zegt, of leugen?

Nkenge sprak: Zoo waar dat ik eene zuster had, ’t is geen leugen. Morgen noen, blijf hier in huis, ik zal weenen.

Nkenge nam hare lier; terwijl zij begon te weenen, hief zij haar lied aan: Kindengele, kindengele, kindengele Ya Zwina! Ik ben aan Zwina gestorven. Zij hoorde in de verandah ’t lied weer, alzo: Ik weet dat gij mij op uwe lier beweent.

Wel, man, nu, kom, luister. Hoor je, bedrogen heb ik u?

De man, toen hij gekomen was, toen hij luisterde, ’t was immers zoo. Hij sprak in zijn hart, alzoo: Toen zij geweend had, ik kwam nader, ik zag rond, om te zien, wie ons kwam vervolgen; waarschijnlijk, die jonge lui van Bambata, ik zou ze doodschieten.

Maar toen hij naderde, en naderde, hij luisterde daar in het graf, waar men Zwina gelegd had, daar kwam de zang uit. Toen riep hij op Nkenge: He, Nkenge, wel, kom!

Toen zij kwam, die zang kwam daar uit. Hij sprak: Wo! zoo wij ’t lijk weer uithaalden?

Toen zij het graf opengedaan hadden, alzoo: Laat ons dit lijk uit de stoffen doen, om te zien.

Toen zij ’t losmaakten, hoorden zij Zwina, die sprak, alzoo: Doet mij stillekens los!

Toen zij al de stoffen hadden losgemaakt, deden zij de stoffen weer in ’t graf. Zij maakten het effen, gelijk het was, alzoo: De menschen, als zij komen zien, zullen alzoo zeggen: Het lijk is er, daar is ’t begraven.

En ’t graf toch was ledig.

Hij sprak: Nkenge, neem eene kalebas, ik neem eene kruik. Laat ons water gaan putten, om haar te wasschen.

Toen zij water geput hadden, waschten zij haar goed, namen roode verf en palmolie, en bestreken haar goed, zij spreidden schoon-dooreengevlochten biezenmatten open, in de schoonste plaats van de strooien hut, alzoo: Hier, hier komen geene menschen binnen, dat zij haar niet zien. Om haar te spijzen, doet men noch geit, noch verken dood. Alle dagen, maar wasschen en wasschen, bestrijken en bestrijken, inwrijven en inwrijven.

Twee maanden waren vervlogen. Zwina was weer goed gekomen, gelijk zij was. Al hare krachten waren haar teruggekomen.

De man sprak zoo: Gij, Nkenge, en gij, mijn jongste broer, waar gij blijft, Zwina, zij, toont haar niet aan de menschen. Ik ga terug naar Zombo, ik ga mijne kassen poeder halen, die ik daar gelaten heb. Dien dag, dat ik Zwina aan de menschen van ’t dorp zal toonen, dan moogt gij al die kassen poeder afschieten.

Hij ging.

Waar zij bleven, de tijd om ’t eten verdween, de tijd om te slapen verdween.

De jongste broer, wanneer hij wandelde in ’t bosch, was Nkenge met haar oudste gebleven, alle beiden te zamen. ’t Was middag geworden. Nkenge zegde zoo: Gij, Yaya, al uwe krachten, zijn zij teruggekomen?

Zwina, zoo: Ja, mijn jongste, mijn lichaam is teruggekomen, gelijk ik geboren was.

Nkenge, alzoo: Wel, gij, Yaya, vermits wij dit wonderteeken gezien hebben, ja, blijven wij nog hier?

Zwina sprak: Ja, kindlief; als wij hier niet blijven, ach, waar gaan wij henen? Dien weg van ons dorp, dien weten wij niet. Eén komen slechts, zijn wij hier gekomen. De weg, daar zijn vele zijwegen. Indien wij gaan en gaan, zouden wij niet verloren loopen? Misschien ook vatten zij ons terug.

Nkenge, dus: Neen, Yaya, toen wij hier gekomen zijn, ik ben altijd een weinig van achter gebleven; aan de zijwegen, heb ik teekens gezet.

Zwina, alzoo: A! Die teekens, die gij gezet hebt, wat zijn ze?

Nkenge, alzoo: A! Kleine putjes heb ik gegraven!

Zwina dus: Wel, wij vluchten. Wanneer, kindlief?

Nkenge, alzoo: Wij gaan vluchten, als zij slapen den eersten slaap. Van avond, zal ik maniok stampen, wij leggen hem in den korf. Ik zal u kiekens dooden, wel vijf. Wij maken ze gereed, wij leggen ze in den korf. Dan, de Bambata, als zij hunnen eersten slaap aan ’t slapen zijn, wij gaan uit, wij vallen op den weg, wij gaan.

Zwina, alzoo: A! kindlief, als wij maar niet verloren loopen!

Nkenge, alzoo: Wat! Wij verloren loopen! Maar ’t is maneschijn; de maan, die schijnt zoo fel met haar schijnen. De wegen zijn gelijk in den dag.

De zon was ondergegaan, de avond viel; de Bambata vielen aan ’t eten, terwijl zij om ’t vuur zaten, dat glinsterde in de hutten. Men koutte en koutte. ’t Kouten was uiteengegaan, ’t dorp werd stil. Zij sliepen.

Bij den eersten slaap, sprak Nkenge, alzoo: Yaya, neem uwen korf; de Bambata zijn aan ’t slapen.

Zij, zij gingen weg. Zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij waren heel ver geraakt. De dag was aangebroken. Nkenge sprak: Yaya, wij gaan ’t hooge gras in; waarschijnlijk zal de jonge broer, die thuis gebleven is, ons volgen.

Toen zij in ’t hooge gras waren gekropen, zetten zij zich nevens malkander. En zij zaten. De zon was aan ’t ondergaan.

Zwina sprak, alzoo: Mijn jongste, laat ons nu uitgaan tot op den weg. Wij zullen heel traagzaam, traagzaam vooruitgaan, tot de zon weer opkomt, dan zijn wij heel ver in ’t gaan.

Waar zij uitgekomen waren, gingen zij, gingen zij. Zij hoorden de hanen, die kraaiden.

Nkenge, alzoo: Yaya, de voeten doen zeer. Laat ons een beetje rusten.

Zij kwamen dichtbij. De dag was aangebroken.

Nkenge, alzoo: Yaya, wij trekken van hier tot op den middag. Hier zijn wij halfweg; de Bambata kunnen ons niet meer volgen.

Van daar, maar gaan en gaan en gaan.

Den dag van den Nsona, kwamen zij ’s avonds dicht bij hun dorp aan, in hun dorp waar zij Vader en Moeder gelaten hadden.

Zwina, toen zij gestorven was, de stengel van de meloen van Zwina was gestorven. De vader en de moeder, toen zij de stengels van de meloenen zagen, die van Nkenge was frisch, vol leven en groen, die van Zwina, verslenst en verdroogd.

De doodenkamer weergalmde wel twee maanden van ’t weenen en ’t dansen en ’t zingen: ’t was de doodendans van Zwina.

Toen hij ging, de stengel van de meloen van Zwina, die gestorven was, toen hij zag, de stengel herleefde. Toen hij hem raakte, een nieuwe scheut kwam uit op den stengel van de meloen, die gestorven was: Wacht, zegde hij, ik zal dat gaan zeggen aan Mama.

Toen hij hard liep, toen hij kwam, zegde hij: He, Mama, laat ons gaan en zien; de stengel van de meloen van Zwina is verrezen, is groen geworden.

Maar de moeder: ’t Is maar een klein kind, hij verstaat noch goed, noch kwaad.

Omdat haar hart dat herinnerde, kwam er droefheid in en zij weende en weende.

Eindelijk was vader gekomen. Hij, ’t kind, toen hij vader zag, hij ging loopen daar waar zijn vader was, alzoo: He, vader, de stengel van de meloen van Zwina, die gestorven was, toen ik ging zien, hij stond recht, daar was een scheut uitgegroeid. Maar ik ging dat aan Mama zeggen, alzoo: Laat ons gaan, kom zien, Mama. En Mama, zij joeg mij weg, zij verwenschte mij. Nu is zij in huis, aan ’t weenen weent zij.

De vader, alzoo: Welaan, ik ga zien.

Toen zij gingen, zag de vader, dat de stengel herleefde en een scheut was er geschoten op den stengel van de meloen van Zwina.

Dan riep hij zijne vrouw, alzoo: Wel, gij, dit kind, waarom verwenscht gij het, om welke reden?

Zij dus, alzoo: Omdat het oude zaken, die al lang en lang in ’t hart vergeten zijn, weer ophaalt.

En hij, alzoo: Maar de stengel van de meloen van Zwina heeft een scheut geschoten. Ik heb hem gezien.

Zij, de vrouw, sprak: Ik ook, ik ga zien.

Toen zij kwamen, de scheut die kwam te voorschijn.

Alle beiden, vrouw en man, stonden verwonderd en verwonderd: Dit, wat is deze zaak? Wel, wat is ’t? Ons kind is al lang gestorven, deze ’t zijn nu vijf maanden al vervlogen. Wel, die stengel herleeft weer. Wij zullen zien dezer dagen.

En zij waren, zij waren, zij waren. Zwina in Mbata, al hare krachten waren teruggekomen. De stengel van de meloen had drie bladeren.

De vrouw sprak dus: Wel, gij, mijn man, gaat gij niet langs die wegen om te zien, gaat gij deze zaak niet klaar maken, hoe zij is? Misschien, ons kind verrijzen is verrezen.

De man sprak: Dezer dagen zal ik zien, verzamel eten. Dan zal ik gaan, ik zal eens gaan zien langs die wegen.

En de tijd verdween en verdween en verdween.

Op zekeren dag, omtrent den noen, had de moeder haar huis uitgekeerd. Zij legde de vuiligheid op een oud mandeken en zij riep haar kleinste kind, alzoo: Kom, neem dit veegsel, en werp het in den vuilput.

Het kind, toen hij ’t veegsel was komen halen, toen hij ging naar den vuilput, toen hij ’t wegwierp, hij zag rond in den weg: en zijne zusters Zwina en Nkenge zag hij. Hij wierp ’t oud versleten mandeken weg, en kwam geloopen naar ’t huis van zijne moeder, alzoo: He Mama, Zwina en Nkenge, uwe kinderen, daar komen zij aan.

Het kind, toen hij dit hoorde, zijn hart was geprangd, omdat hij waarlijk zijne zusters gezien had. Hij ging in allerhaast terug, daar waar hij zijne zusters gezien had. Zijne zusters, toen zij hem zagen, droegen hem, hij zat op hare heupen. Zij kwamen zoo ’t dorp binnen.

De moeder, alzoo: He gij, die betooverd zijt door de slechte geesten, waar zijt gij geloopen, waar?

Toen zij buitenging, alzoo: Ik ga zien waar hij henen is.

En zij, zij zag in de ronde; ’t kind was op de heupen van Zwina en Nkenge gezeten. De moeder ook ging loopen in allerhaast: Gij, mijn kind, waarlijk, gij hebt niet gelogen.

Toen riep zij haren man, die aan ’t uiteinde van het gehucht was.

De man sprak dus: Ik zal gaan.

Toen hij kwam, toen hij aankwam op ’t einde van ’t dorp, zag hij op den schoot van zijne vrouw, twee maagden, die zich bijeen naderden op haren schoot. Dan bij het naderzien: Deze kinderen, van waar zijn zij gekomen?

Toen hij de oogen wijd opende, toen hij keek en keek, dan waren het zijne kinderen, alle twee. En hij liep in allerhaast met al de vreugde, die hij in zijn hart had, en hij kwam: He, moeder, mijne kinderen, moeder! Wat! Zij zijn teruggekomen!

De neven vroegen aldus: Welke vrouwen die gekomen zijn?

De oom zegde, alzoo: He, vooruit, mannen, komt gij?

De neven kwamen afgeloopen. Dan kwamen zij daar Zwina en Nkenge tegen. Toen schoten zij vuur. En ’t vuur daverde en daverde.

’t Einde van ’t dorp, toen zij ’t vuur hoorden, dat sprak, alzoo: Welaan, wij ook, wij gaan zien ’t vuur, waarom men ’t vuur schiet op ’t einde van ’t dorp.

Toen zij kwamen, vonden zij de twee, Zwina en Nkenge. ’t Nieuws verspreidde zich door gansch het dorp.

Heel het dorp en vuur schieten en schieten en schieten. De avond viel. Hun vader sprak: Gaat, ’t is genoeg, gaat het zeggen. Dat eenieder kome, en laat ons de kinderen vragen, waarmee zij gekomen zijn.

Toen allen vergaderd waren op het plein van hunnen vader, alzoo: Gij, Nkenge, gij, vertel wat gij ginder gezien hebt.

Nkenge, toen zij alles uitgelegd had, wat zij gezien had, van ’t sterven harer zuster, enz. enz., hun vader sprak, alzoo: ’t Is niets, wel dat gij u gered hebt, komt dichter bij.

Toen deden zij de trommels komen. En de trommels weergalmden en weergalmden. Zij dansten de glorie hunner kinderen, en zij dansten en dansten en dansten eene heele maand.

Toen deed de vader ’t feest uiteengaan, alzoo: Wij zullen dien jongeling afwachten, of hij zal komen?

En de tijd verdween en verdween.

De echtgenoot, waar hij bleef, kwam met zijn jongsten broer overeen, alzoo: Hoe zouden wij aan de ouden vertellen?

Hij, de jongere broer, aldus: Gij, mijn oudste, wij zeggen, alzoo: ’t Is nu al een beetje tijd, dat hier anderman’s kind gestorven is, wel, laat ons de doodmare gaan dragen naar den familiestam. De leden van de familie, dat zij ons de doode komen begraven.

Zoo zullen wij aan de ouden zeggen. Wij zeggen niet, alzoo: Zwina, die gestorven was, is verrezen; noch, dat zij in ’t huis was, dat wij haar verzorgden, dat zij weer was gelijk vroeger; noch dat ze is gaan vluchten. Zoo wij dit alzoo moesten vertellen aan de ouden, de ouden zouden ons berispen, en zoo zouden zij naar den familiestam niet willen gaan om de doodmare te dragen. Maar wij zullen slechts zeggen, de doodmare in de familie te dragen.

De avond was gevallen. De echtgenoot had palmwijn gekocht, kiekens geslacht, deed al de ouden komen. De ouden kwamen af en waren vergaderd bij zijne hut. Hij sprak dus: Ouden, die maniokbrooden eet gij, die kruiken drinkt gij, dan luistert naar hetgeen is in mijnen mond, dat ik spreke.

De ouden aten de maniokbrooden, dronken de kruiken, dan spraken zij, alzoo: Wat zaak is er met u? Wel, zeg het, wij luisteren.

De echtgenoot, alzoo: Er is niets, geene zaak te vreezen, alleenlijk dat ’t nieuws nog tot ginder niet toegekomen is: dit dat Zwina dood is.

De ouden antwoordden zoo: ’t Is wel, wij zullen eten gereed maken. Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden Nkandu, dan staan wij ’s morgens vroeg op en wij vertrekken.

Allen kwamen aangeloopen, zij kwamen zich vereenigen op de dorpsplaats, en de mare verspreidde zich: ’t Is de echtgenoot van Zwina. Maar zwijgen, zwijgen, zwijgen, wij zullen hooren, wat hij komt zeggen.

De vader leerde Zwina en Nkenge, alzoo: Gij, komt niet buiten op den weg, blijft in huis, ik heb al de ouden van ’t dorp doen vergaderen, alzoo: Komt; de schoonzoon die lang vergeten is, is in ’t dorp gekomen; wij hooren wat nieuws hij komt brengen.

De Bambata kwamen ook af op het plein van den vader van Zwina. Zij vereenigden zich met hunne geweren. De ouden van ’t dorp waren ook vereenigd.

De vader van ’t kind, aldus: He, ouden, hebt gij het gehoord?

De ouden zegden: Welaan!

De jongsten onder hen antwoordden: Neen, vandaag, zijn zij allen dood.

’t Opperhoofd van ’t dorp sprak, alzoo: Wel, gij, onderdanen, als wij teruggaan bij hen, hoe zullen wij doen?

Zij allen spraken: O neen! Wij vermoorden. Dus vooruit naar de plaats. Gij, ouden, als wij gaan, gij, vereenigt u te zamen dicht bij hen op de plaats. Wij, de jongelingen, wij allen om de Bambata, wij omringen ze.

De jongelingen, toen zij dat hoorden, schoten vol gramschap: Wie beschuldigt ons hier van heksen?

En zij vielen op de Bambata, en zij schoten ze dood. Slechts tien man konden er vluchten. Zij gingen ’t nieuws dragen in hun dorp, alzoo: ’t Dorp, waar wij uitkomen, is een dorp van heksen. Zwina, weet ge, is verrezen. In ’t huis had men haar verborgen. Zij is juist gelijk zij was. Die toovenaars hadden zich onder malkander geregeld, ’t nieuws zegden zij niet. Zwina hebben ze dan getoond en wij waren verbaasd en verbaasd en verbaasd. Zij zijn op ons gevallen, en zij hebben ons allen vermoord. Wij, wij zijn ontsnapt uit een land van toovenaars.

Hun dorp stierf uit. Al de ouden had men vermoord.

Maar de eenigen, die overgebleven waren, zegden, alzoo: Zij, de mannen van die streek, waar men onze ouden heeft vermoord, als zij hier den voet zetten, dood zijn ze, niet levend.

Mbengo.

Notes in this chapter

Note 1 · Nkula: soort van roode aarde, waarmede de Kongoleezen zich bestrijken om zich schoon te maken. ↑Note 2 · Met palmolie bestrijken zij zich ook. ↑Note 3 · Het huwelijkskontrakt werd geregeld: vader en schoonzoon breken samen een stokje. ↑Note 4 · ’t Geld snijden = den prijs stellen. ↑Note 5 · Koperen ringen, die zeer zwaar wegen. Iedere ring weegt somtijds twee kilo. ↑Note 6 · Het vuur spreekt = er werd geschoten. ↑Note 7 · Zombo: streek van Portugeeschen Kongo. ↑Note 8 · De ouden van ’t dorp zouden Zwina en Nkenge beschuldigd hebben den dood van een der dorpelingen te hebben veroorzaakt: wat zeer erg is. ↑Note 9 · In ’t kongoleesch Ndona, van ’t Portugeesch Dona. ↑Note 10 · Bijgeloof der zwarten.—Anderen nog, volgens hen, veranderen in een luipaard (ngo-nkitu); of in een krokodil (ngandu-nkitu). ↑Note 11 · Zoo roept men als men in gevaar verkeert, terwijl men met de hand op den mond slaat. ↑Note 12 · Uitroepingen! ↑Note 13 · Gewoonten, als er iemand sterft, zoowel als bij trouwfeesten. ↑Note 14 · Inheemsch muziekinstrument (nsambi). ↑Note 15 · Naam van den volksstam. ↑Note 16 · Yaya = Eeretitel, dien men aan zijnen oudste geeft. ↑Note 17 · ’t Is heel streng verboden, een lijk uit ’t graf te halen. ↑Note 18 · Mbata: Streek waar Zwina getrouwd was. ↑Note 19 · Kongoleesche gewoonte.—Als er iemand sterft, moet men de doodmare in de familie brengen. ↑Note 20 · Een moeder, als haar kind gestorven is, mag haar niet meer wasschen; hare haren laat ze groeien, en zij bestrijkt zich met rood. ↑Note 21 · Verwenschingen. ↑Note 22 · Kongoleesche eed. ↑Note 23 · De kinderen, uit een kongoleesch huwelijk gesproten, behooren tot den familiestam der moeder. ↑Note 24 · Als kinderen gestorven zijn, moet de moeder vuile kleeren dragen. ↑Note 25 · Als een kind na langen tijd in zijn dorp terugkomt, dan, onder andere vreugdeteekens, wordt er geschoten. De negers vroegen mij, toen ik naaNote 26 · Spreekwoord, dat men zegt, als er iemand gestorven is. ↑Note 27 · Ander spreekwoord: Men denkt wraak uit. ↑Note 28 · Gerucht van de klokjes. ↑Note 29 · Spreekwoord: Weest voorzichtig. ↑Note 30 · Spreekwoord: Wij zijn afgemat; maar wij willen seffens zeggen waarom wij gekomen zijn. ↑Note 31 · ’t Is eene kongoleesche gewoonte, dat de familiestam hare kinderen begraaft. ↑Note 32 · De toovenaars hebben Zwina vermoord. ↑Note 33 · Eeretitel. ↑Note 34 · Heksen: Scheldwoord. Ndoki, in ’t kongoleesch. Het zijn de ndoki, die ziekten en sterfgevallen veroorzaken, volgens de kongoleezen. Als de tNote 35 · Maar zij, Zwina, sedert hare geboorte, ’t werken had zij nog niet gewerkt; alle dagen bestreek zij haar slechts met rood1. Zij, Zwina, was eNote 36 · Maar van Makela, een verafgelegen land, was een schoone jongeling gekomen; zijn wezen blonk van schoonheid, de palmolie2 parelde op zijn aanNote 37 · De huwelijksbrief werd afgesneden3, alzoo: Gij, die Zwina trouwt, betaal ’t geld, dat wij snijden4, op eenen dag, omdat zij, Zwina, vele jonNote 38 · Die inwoner van Makela, door zijnen koophandel, was rijk en gaf haar veel glans en luister. Hij ging een parelen halssnoer halen, gaf het aaNote 39 · Dan begon het vuur te spreken6, om zijne vrouw Zwina te vereeren. Zij gingen weg. Van gehucht tot gehucht, ’t vuur was aan ’t weergalmen. HiNote 40 · Hij, de oudste broeder, ging dus naar Zombo7.Note 41 · Maar Nkenge belette den schoonbroeder, alzoo: Och, man, laat los, ik smeek u, dat zij ons zullen verwijten en haten, alzoo: Gij eet ons dorpNote 42 · De schoonmoeder liep dan rond in huis en sprak, alzoo: Vandaag, gij Mevrouw9 Zwina, kom buiten, wij gaan naar ’t water, om den maniok af te Note 43 · Zij, de schoonmoeder, ging dus rivieropwaarts en veranderde in een boa10. Zij kwam de rivier af, waar zij Zwina gelaten had. Zwina, toen zijNote 44 · Maar Nkenge, toen zij kwam toegeloopen, de boa had zich reeds rondgeslingerd om ’t lichaam van Zwina. Nkenge liep naar ’t dorp, begon te roeNote 45 · De echtgenoot van Zwina kwam terug. Toen men ’t gebeurde vertelde, hij, alzoo: He, moeder, ik vader12! Hoe ben ik gevaren? Daar waar ik mijnNote 46 · Zij deden vijf kassen poeder brengen, en zij schoten en schoten, en ’t vuur weergalmde over de dalen en bergen tot in den hoogen hemel13.Note 47 · Op zekeren middag was de man op ’t einde van ’t dorp gaan wandelen. Nkenge was haar mandeken aan ’t vervaardigen, den weduwestaat van hare zNote 48 · En zij ging heel stillekens, stillekens op hare teenen. Toen zij buiten kwam, en zij rondkeek, niemand zag zij. Nkenge sprak in haar eigen: Note 49 · Toen zij sliepen, de dag was aangebroken, ’t was middag, alzoo: Man, blijf in huis, ik zal weenen, dan zult gij den zang hooren, dien men inNote 50 · Nkenge, alzoo: Ja, ’t is goed; wij doen ’t graf open, wij zien; doch dat er geen menschen zijn, die het zouden zien en rondstrooien, hoort gNote 51 · Vader en moeder weenden en weenden dan. Zij maakten een groote doodenkamer: Ons kind Zwina is gestorven in Mbata18.Note 52 · Daarna was alles uiteengegaan. Maar haar vader wraak aan ’t uitdenken, alzoo: De Bambata, als zij hier komen om ’t doodsbericht te brengen19Note 53 · Op den dag van heden was vader naar ’t hooge gras gegaan. De moeder ging niet uit, den weduwestaat van haar kind had zij begonnen20. Een jonNote 54 · De moeder, alzoo: He, gij, loop weg, hebben de toovenaars u geslagen21, dat gij uw oudste zuster, die doodgegaan is, komt vervolgen?… WaarliNote 55 · En hij, alzoo: Mama, ’t is mijne jonkheid niet. Laat ons gaan en zien, de paddestoelen staan open22, Mama; ’t is geen leugen, ’t is waarheidNote 56 · De moeder, dus: He gij, de slechte geesten hebben u betooverd, loop weg. Ik sla u dood. De goeden zijn doodgegaan en voor altijd. Heden, gijNote 57 · Terwijl zij liep, zij de moeder ook, zij kwamen te zamen dicht bij hun huis, zij kwamen allen tot op de koer. De moeder zette ze op haren scNote 58 · Hij ging in zijn huis, deed twee groote kassen poeder te voorschijn komen: He, mijne neven, komt af met uwe geweren. Komt schieten, uwe vrouNote 59 · Hij dan, alzoo: Gij, ouden, ziehier waarom ik u uitgenoodigd heb. ’t Is al eenigen tijd dat mijne vrouw gestorven is, de vogel is aan ’t rotNote 60 · De ouden zegden: Maar, jongen, gaan en gaan, ’t is wel; maar een ding moeten wij inzien, ginder is het mes gescherpt27. Indien er iets moestNote 61 · De Nkandu, die gesteld was, was aangebroken. Zij bonden heele dragerskorven eten vast, zij kwamen te zamen, wel twee honderd, en geweren en Note 62 · In ’t dorp van Zwina, zegde men: A! Die de klokjes spelen, wie zijn ’t? Ziet den hond daaronder29.Note 63 · Toen zij allen gezeten waren, sprak de echtgenoot, aldus: De voeten rusten, de mond, hij rust niet30. Ik, ik ben hierom gekomen: Ndona ZwinaNote 64 · Zij stonden op, zij gingen zich vereenigen op het plein van ’t opperhoofd. De vader van Zwina sprak, aldus: Gij, ouden, de toovenaars hebbenNote 65 · De vader van Zwina, alzoo: Als wij gaan met u, grijsaard33, wij, wij regelen niets. Maar ik, als ik Zwina en Nkenge zal doen te voorschijn kNote 66 · Zij kwamen op de plaats. Zij waren allen gezeten. De vader van Zwina deed Zwina en Nkenge buiten komen. ’t Was een donderslag in ’t midden v
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings