Nkenge’s Vlucht
Reading edition
Eene vrouw, haar naam was Lutama, was in een dorp met hare zuster Ntumba. Deze was de jongste.
Op zekeren dag gingen zij wandelen en zij kwamen aan ’t water. Daar kwamen zij een jongeling tegen, die hun vroeg, alzoo: Uw echtgenoot, wie is hij?
Zij, alzoo: Wij, wij hebben geen echtgenoot.
Dan kwamen zij overeen, alzoo: Kom naar ons dorp en vraag het aan onze moeder.
Hij kwam het vragen aan hunne moeder, alzoo: Gij, moeder, uwe kinderen hebben geen echtgenoot.
Zij, de moeder, alzoo: Ja, ’t is waar; zij hebben geen echtgenoot.
Wel, ik wil haar trouwen.
De moeder, alzoo: ’t Is goed.
Zij dronken palmwijn, hij betaalde ’t geld van ’t huwelijk: drie stukken van vijf frank en twee frank en half.
Zij, zij wisten niet dat de Boa een mensch was geworden.
Dan nam hij zijne vrouwen en zij gingen.
Toen zij gingen, kwamen zij in ’t dorp van den Boa aan. Wel twee jaar vervlogen er. Maar hij, de Boa stierf.
Zoo sprak hij alle dagen, toen hij kwam spreken in den nacht.
Den volgenden dag ’s morgens vroeg, trokken zij op, alzoo: Vooruit naar ons dorp van waar wij gekomen zijn.
Als zij op den weg waren, was Lutama’s draagband in de hut gebleven.
Ntumba ging terug. De Padden en de Serpenten waren vereenigd in ’t huis om den Boa te beweenen. Terwijl zij weenden en weenden, nam Ntumba den draagband en kwam terug.
Een geest, die aan ’t water was, om zijne wonde te wasschen, toen hij hoorde hoe die mensch daar gesproken had, veegde de lijn uit en maakte er een, waar Lutama ging.
Ntumba, toen zij afkwam, toen zij de lijn zag; in den weg waar de lijn was, ging zij niet. Zij, toen zij den weg zonder lijn zag, alzoo: In dezen weg is zij gegaan.
Zij ging er in. En zij kwam tot aan den doorgang der rivier. De geest was bezig zijne wonde te wasschen. Zij Ntumba vroeg, alzoo: Mijn oudste, is zij langs hier gegaan?
Hij, de geest, hij bedroog haar, alzoo: Kom, ik zal u overzetten.
En hij kwam, hij droeg haar en hij zette haar over aan den anderen kant der rivier, alzoo: Wacht hier, dat ik mijne wonde wassche.
Toen hij zijne wonde had gewasschen, toen het gedaan was, alzoo: Vooruit nu, langs hier, Mama.
Ntumba Ma Luseke begon haar weesdom en begon te weenen. Zij kwamen in een dorp, aan een oud ingevallen huis, dat daar zoo eenzaam alleen stond. Hij was immers alleen, de geest met zijne twee kinderen.
Hij, de geest, toonde haar haar slaapkamer, alzoo: Slaap daar. Waar mijne kinderen zijn, slaap daar niet, omdat gij met uw lichaam, dat slecht is, mijne kinderen zoudt besmetten.
Hij toonde honderd zaken aan Ntumba, alzoo: He, Mama, als ik ga wandelen, daar is uw eten, eet dat. Het eten van mijn kinderen, eet dat niet.
Zijne kinderen, waar zij bleven, beschimpten Ntumba.
Zij, toen zij dat hoorde, begon te weenen, en zij weende en weende.
Maar vluchten, hij vluchtte.
Toen zag zij Vader Nkaki7, alzoo: Kom, zet mij over.
Maar vluchten, hij vluchtte.
Toen zag zij Vader Nkonkoto7, alzoo: Kom, draag mij over.
Maar vluchten, hij vluchtte, hij droeg haar niet over.
Zij ging rivierafwaarts, en zij zag Vader Kikkervisch; maar vluchten, hij vluchtte.
Zij, alzoo: Over ’t water, wie zal mij overzetten?
Toen zij rivieropwaarts keek, kwam er een Blad aan. En zij riep.
Het Blad bleef stil. Zij zegde zoo: He, Blad, zet mij over; he, schoon Blad, zet mij over.
Het Blad ging met haar tot op den oever, en zij was er over.
En zij ging en ging.
En hij kwam en hij zag Ntumba niet. Hij vroeg, alzoo: Ntumba, waar is zij?
De kinderen, alzoo: Ntumba, waar wij waren, zij had maniok voorbereid, zij kwam ons maar een klein stuksken maniok geven; wij vroegen haar: ’t Is het uwe niet, Mama. Bezit gij het?
Ntumba, toen zij dat hoorde, begon te weenen en te weenen. Toen zij weende, nam zij de koophandeldoos en zij is opgetrokken, den weg naar de rivier.
De geest, toen hij dat hoorde, ging haar volgen. En hij kwam aan de rivier. Toen hij ’t Blad zag, riep hij het en vroeg, alzoo: Ntumba, waar is zij gegaan?
Het Blad, alzoo: Ntumba is langs hier gegaan met de koophandeldoos.
Hij, alzoo: Zet mij over, dat ik haar volge.
Toen ’t Blad hem had overgezet, volgde hij haar. En hij ging en ging en ging. Ntumba was ver vooruit. Toen hij in een dorp aankwam, vroeg hij, alzoo: Langs hier, gaat hier geen mensch?
Een mensch gaat langs hier, zij houdt iets in hare handen: zeker een koophandeldoos; maar zij kan toch zoo schoon zingen. Toen zij hier aan ’t dansen was, hebben wij haar twee slaven en twee geiten gegeven.
Hij, alzoo: Dus vooruit, ik volg haar.
Toen hij verder aankwam, vroeg hij, alzoo: Langs hier gaat er geen mensch?
Ja, een mensch gaat langs hier, haar naam is Ntumba, maar zij kan toch zoo wel dansen. Twee verkens hebben wij haar gegeven en een geit.
Toen hij dit dorp verliet, alzoo: Mijn koophandeldoos heeft zij gestolen, en aldus heeft zij al mijn geld en goed.
De geest volgde en volgde haar, hij zag haar niet. Hij had grooten honger en om te eten, niets. Hij, alzoo: He, gij, jonge dochter, geef mij mijn koophandeldoos terug, mijn liefste.
Maar Ntumba was heengegaan. Hij, aan ’t volgen en ’t volgen, aan ’t weenen was hij en hij stierf onderweg.
Toen hij stierf, was Ntumba in haar dorp aangekomen bij Vader en Moeder.
Makanga.