← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Verhaal van Nijd

Reading edition

Een moeder had twee kinderen gebaard; hare namen waren Nkenge en Ntumba. Zij, de moeder, had het verbod verboden, alzoo: He, mijn dochters, indien gij ooren en oogen hebt, trouwt toch niet hier in ’t dorp.

Zij luisterden wel naar de lessen van hunne moeder.

Op zekeren dag, zij, Ntumba, sprak aldus: Welaan, Nkenge, wij gaan naar ’t hooge gras, om er ons stuk maniokland om te hakken.

Zij gingen, zij kwamen in ’t hooge gras aan, zij kozen een schoon stuk grond uit. Toen zagen zij een jongeling, die op haar aankwam.

Ntumba zegde, alzoo: He, Nkenge, een jongeling komt daar aan, hebt gij hem gezien?

De twee maagden, toen zij dat zagen, verwonderd en verwonderd waren zij, alzoo: Deze bemint ons!

Maar de moeder zegde zoo: Ik ga naar de hut mijner dochters, alle dagen hoor ik in hun huis veel gerucht.

De moeder ging; maar toen zij ’t huis binnenging, zij vond het heele huis vol veegsel en veegsel; zij keerde ’t huis uit. Terwijl zij keerde en keerde, ontwaarde zij de kist. En zij deed ze open, zij zag dien jongeling, en zij vroeg hem: Gij, van waar zijt gij gekomen?

Maar hij, antwoorden kon hij niet. Hij, de schaamte had hem aangetast.

Zij, de moeder, sloeg hem, en zond hem weg, dat hij optrekke.

Terwijl zij hem wegzond, zij, de dochters waren naar ’t land gegaan, dat zij uitgekozen hadden om maniok te planten.

Nkenge, haar bloed bruischte en bruischte op en zij sprak, alzoo: Terug naar ’t dorp, mijn bloed bruischen is aan ’t bruischen.

Zij, Ntumba, wilde niet redetwisten. Zij kwamen terug in ’t dorp; toen zij op den hoek van ’t dorp kwamen, zagen zij van ver hun huis openstaan.

Zij, Ntumba, alzoo: Ons huis staat open, misschien is zij, de moeder, het aan ’t keren!

En zij, Nkenge, alzoo: ’t Huis heeft men losgemaakt; misschien heeft moeder de kist ontdekt onder de biezenmat.

En zij kwamen. Zij, de moeder, had het heele huis uitgekeerd. Zij, Nkenge, toen zij aan de deur kwam: He mijn beste zuster, ik, mijn hart is niet gestild.

En zij ging binnen in de geheimkamer, alzoo: De kist, zij is hier niet.

Zij, Ntumba, alzoo: Welaan, ’t is niets, laat ons zien.

En zij namen de mat weg, en de kist was er niet.

En zij vroegen: Wie is er in ’t dorp gebleven?

Zij, de moeder, sprak van in hare hut, alzoo: Ik ben hier gebleven.

En Ntumba vroeg heel stillekens en zachtjes, alzoo: He mama, de kist hebt gij ze weggenomen?

Zij, de moeder, zegde van neen.

Nkenge was achter de hut gegaan, terwijl zij weende en weende, sprak zij, alzoo: He, mijn goede zuster Ntumba, de kist, zij ligt hier op den vuilnishoop.

Terwijl zij zagen, waar men de kist geworpen had, den voetstap van de moeder, herkenden zij.

Zij, Nkenge, alzoo: Deze voetstap, van wie is hij?

Zij, de Moeder, toen zij dat hoorde, alzoo: Ik, ik heb de kist daar geworpen.

Zij, de kinderen, alzoo: Wat er in de kist was, waar hebt gij het gelaten?

Maar de moeder, alzoo: Een jongeling zag ik erin. Wacht, gij, kinderen, de slechte geesten hebben u betooverd. Wat! Ik, uw moeder, ik heb u ’t verbod verboden, en gij luistert niet. En nu brengt gij een jongeling in huis?

De maagden, toen zij dat hoorden, verdriet en verdriet kwam er in hun hart op, en zij spraken, alzoo: Toon ons onzen vriend, waar is hij heengegaan?

Zij, de moeder, toonde hem niet.

Zij, de kinderen, gingen weer, waar zij de kist teruggevonden hadden, en zij zagen een voetstap, alzoo: He, mijn beste zuster, een voet gaat langs hier.

En Nkenge volgde hem en zij ging op weg.

Toen zij het zag, riep zij hare zuster.

Zij, de zuster, kwam af. Nkenge, alzoo: Nu, wat zullen wij doen?

Zij, alzoo: Welaan, wij volgen hem.

En zij gingen en gingen, zij kwamen op den hoek van ’t dorp uit. Daar hoorden zij hunnen vriend; aan ’t weenen en weenen was hij, alzoo: Ik, hoor je, ik ga op een andere plaats, vermits hunne moeder mij geslagen heeft.

Zij, toen zij dat hoorden, luisterden weer. Nkenge sprak, alzoo: He, mijn beste zuster, die stem is de stem van onzen vriend.

En zij kwamen dichter bij. Hun vriend was droevig geworden; hij stond daar vol tranen, de tranen liepen over zijn aangezicht, alzoo: Ik, vandaag, van waar ik gekomen ben, ga ik terug.

Zij, de vriendinnen, alzoo: Kom, wij gaan u eten koopen, dan gaat gij heen. De moeder, die ons bezit, haar hart is vol nijd en nijd.

Zij kwamen op den weg, en zij troostten malkander.

Hij, de jongeling, alzoo: Koopt palmwijn, geeft hem aan uwe moeder, dat zij den haat, die in haar hart ligt, neerlegge!

En zij kochten palmwijn, zij gaven hem aan hunne moeder; de moeder brak haren eed, alzoo: Die jongeling, ’t is de uwe; maar dat hij in ons dorp bouwe!

Hij, de jongeling, alzoo: Ik zal het gaan vragen aan mijne ouden.

Zij, de maagden, zij hadden dat niet gaarne, alzoo: Misschien gaat hij weg voor altijd en voor altijd!

Zij, de moeder, alzoo: Dat hij weg ga, ’t is niets.

Zij bereidden hem kiekens en visch, alzoo: Neem het aan, en vertrek.

En hij nam het aan; maar hij sprak, alzoo: Mijn reiszak is in huis gebleven!

Zij gingen terug en zij gaven hem zijn reiszak.

Wanneer hij aan ’t einde van ’t dorp kwam, alzoo: Mijn mes is ginder gebleven in huis.

De kinderen gingen terug en zij zochten zijn mes.

Alzoo wilde de jongeling zijne vriendinnen meelokken.

Hij, hij bleef wachten op den hoek van ’t dorp, en hij wachtte en wachtte naar zijn vriendinnen, dat zij met hem meegingen.

Maar zij, de moeder, had dat in haar hart verstaan, en zij bewaakte de deur, dat hare kinderen er niet uitkwamen.

Ntumba, de oudste zuster, alzoo: He, mama, laat ons door, wij gaan ons hout oprapen!

De moeder ging uit den weg, en zij, de kinderen, gingen heen. Zij gingen op weg, waar hun vriend gegaan was.

Zij, de moeder, vroeg, alzoo: Daar, gaat gij langs daar hout oprapen?

Zij, de kinderen, alzoo: Onze bussels hout hebben wij eergisteren daar laten liggen.

Zij, de moeder, alzoo: Welaan, gaat, neemt uwe bussels op.

En zij gingen. Zij kwamen op den hoek van ’t dorp aan, en de jongeling wachtte ze af, en hij sprak, alzoo: Ik, ik wacht en ik wacht u af. En nu vooruit!

En zij gingen, zij gingen, zij gingen.

De avond viel; zij spraken, alzoo: Wij slapen op den weg. Zij raapten hout op, zij staken vuur aan, en zij sliepen.

De moeder, waar zij gebleven was, werd droevig en droevig, omdat haar kinderen zoo lang wegbleven, alzoo: Mijn kinderen, waar zijn zij gegaan?

Hij, de echtgenoot, alzoo: Zij hebben u verwittigd, dat zij gingen hout rapen. Ik heb een lied gehoord. Men zong en zong.

Zij, de moeder, alzoo: ’t Zijn de palmwijntrekkers, die aan ’t zingen zijn. Maar onze kinderen, zij zullen opgetrokken zijn met hunnen jongeling.

De avond was gevallen, en de kinderen kwamen niet terug.

De moeder had luku gestampt en zij zegde tot haar man: Ga onze kinderen volgen. Ons hebben zij bedrogen, toen zij zegden, dat zij gingen hout rapen.

De man sprak, alzoo: Ik, den weg, ik ken hem niet.

Hij nam luku, vatte zijn geweer en hij ging. Maar de weg was lang en lang en lang. En hij kwam terug.

Zij, de vrouw, werd kwaad en bekeef hem, alzoo: Wel, gij, gij zijt reeds terug, en gij zoekt onze kinderen niet!

Hij, aldus: Deze kinderen hebben wij gebaard. Maar wij kunnen er nog andere baren.

Zij, de moeder, zegde met eed, alzoo: Ik, ik baar geen kinderen meer; die ik eerst gebaard heb, zij zijn heengegaan en voor altijd en voor altijd. Mijne kinderen zijn verloren!

Hij, de man, sprak, alzoo: Breek uwen eed.

Maar zij, zij wilde niet. De vrouw, de ziekte tastte haar aan. En zij stierf. Hij, de man, begroef haar, en hij zegde, alzoo: Ziet ge, de stam, dien de ouden mij gelaten hebben, is vandaag uitgestorven. Ik ben aan ’t dwalen en dwalen!

Hij ook, hij stierf van verdriet. En zoo was de heele stam uitgestorven.

Ntadi.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings