Verhaal van den Palmwijntrekker
Reading edition
De Palmwijntrekker, alzoo: ’t Is goed.
De Haan ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, ’t is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: ’t Is goed.
De Steenmarter ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, ’t is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: ’t Is goed.
De Hond ging daar, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, ’t is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: Al tien kruiken palmwijn moet ik aftrekken; maar ’t is goed.
De Boa ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, ’t is de mijne.
De Palmwijntrekker, alzoo: ’t Is goed.
De Palmwijntrekker, alzoo: ’t Is goed.
De dag van den Nkandu was verschenen.
De Kakkerlak kwam de eerste aan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Haan kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Steenmarter kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Hond kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den Palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Boa kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Kleine Muis kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.
De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.
En hij at, ’t was gedaan.
De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.
De Palmwijntrekker deed ze allen buitenkomen, alzoo: Komt buiten, komt uwen palmwijn nemen.
Zij kwamen uit de kamer. Hij schonk eene kruik uit, alzoo: Deze kruik drinkt gij. Toekomenden Nkandu, komt dan terug.
En hij schonk een kopje uit, alzoo: Neem aan.
En hij gaf het aan de Kakkerlak, die dronk.
Hij schonk er weer een uit, en hij gaf het aan den Haan.
De Haan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatje; al wat gij ziet, vat het en eet.
De Haan wilde den Kakkerlak pikken.
De Steenmarter voegde er bij, alzoo: Dat ding hebt gij uitgevonden.
De Haan slikte de Kakkerlak in.
De Steenmarter, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij den pot, dat ik volge.
De Palmwijntrekker schonk den pot vol, en hij gaf dezen aan den Steenmarter.
Als hij gedronken had, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes. Gij, toemaatjes vraagt gij mij, waar zou ik ze halen? Ten minste gaat gij malkander opeten. Al wat gij ziet, vat het en eet.
De Steenmarter slikte den Haan in.
De Hond, alzoo: Ziet ge, Meester Steenmarter, hoe gij gehandeld hebt? Wel schenk in, Vader Palmwijntrekker, geef mij een kopje, dat ik drinke.
De Palmwijntrekker schonk in en gaf het.
De Hond, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geene toemaatjes.
De Boa, toen hij dat hoorde, alzoo: Wo! Dat toemaatje, dat gij vraagt, wie gaat gij opeten?
De Hond, alzoo: Dengene dien ik zie, slik ik binnen.
En hij vatte den Steenmarter, en hij slikte hem in.
De Boa, alzoo: A, ziet ge, vermits gij geëten hebt. Wel, Vader Palmwijntrekker, geef mij een kopje palmwijn, dat ik ook drinke. Wij eten malkander op, ’t is niets.
Vader Palmwijntrekker gaf hem een en hij dronk, alzoo: Wel, geef mij een toemaatje.
De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes Al wat gij ziet, vat het en eet.
En de Boa vatte den Hond en slikte hem in.
De Kleine Muis, alzoo: Wo! Wij twee, wij blijven over. Wij zullen onze krachten meten, wie de sterkste is.
De Boa, alzoo: Gij, wie kent u niet? Gij hebt eenen mond die overgeeft.
De Kleine Muis, alzoo: ’t Is niets. Maar, gij, Vader Palmwijntrekker, geef mij palmwijn dat ik ook drinke.
De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij, toen zij gedronken had, alzoo: Geef mij ook een toemaatje.
De Boa, alzoo: Gij, wie gaat gij inslikken, vermits gij een toemaatje vraagt? Ben ik het misschien die gij gaat inslikken? Hoe kunt gij mij? Hebt gij mij aangeduid? ’t Is goed. Vandaag ik en gij, wij gaan malkander beproeven.
De Kleine Muis, alzoo: Ik ga den koker blazen.
De Boa, alzoo: Wat! Gij zult den koker niet blazen. Indien gij blaast, dan zult gij afzien.
De Kleine Muis: Ik, blazen ik blaas.
De Boa, alzoo: Blaas niet.
De Kleine Muis, alzoo: Ik zal blazen.
De Boa, alzoo: Wel nu, als gij blaast, dan zal ik u slaan.
En zij vroeg aan den Palmwijntrekker, alzoo: Geef mij een kopje palmwijn, Vader, dat ik drinke. Mijn hart brandt van den dorst, dat ik het lave.
De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij dronk alzoo: Geef mij den palmwijn, ik vertrek. ’t Is gedaan met ons op te eten.
En hij gaf een volle kruik palmwijn, en zij vertrok en zij ging zich beroemen, alzoo: Ik heb den Boa ingeslikt. Vandaag als er iemand met mij twist, die zal pijn afzien.
Sedert dien tijd komt men aan geen Niungi aan, omdat zij van den Boa geëten had.
Ndembo.