← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

De Zot en het Tooverbeeld

Reading edition

In ’t dorp zijn er veel menschen; er is ook een lichtzinnige man, die een schoone vrouw getrouwd heeft. Eindelijk werd zij zwanger en baarde hem een meisje, maar slechts een meisje; een jongen, dat konden zij niet.

Die vrouw ook was rijk, en zij zegde zoo: Gij, man, leg daar vijf duizend mitakos; ik, de vrouw, ik leg er ook vijf duizend, ga ons een klein jongsken koopen.

De man redetwistte met haar niet. Den dag van den Nsona ging hij naar de markt. De man zegde tot de vrouw, alzoo: Maak maniokbrooden gereed; de kleine, als hij komt, dat hij ete.

De vrouw antwoordde: Ja, ga maar!

En de man ging.

De vrouw, waar zij gebleven was, was maniok aan ’t stampen.

Hij, toen hij dat zag, zijn bloed bruischte, en hij vroeg: Wie heeft dien kleine daar gezet?

De man, die dat stuk hout daar gezet had, kwam te voorschijn, toen hij zegde: Ik bezit hem!

Hij vroeg, alzoo: Verkoop hem mij!

De bezitter van dien kleine stelde hem den prijs: Twintig duizend mitakos.

Maar hij vervolgde: Neen, ik wil niet. Neem er tien duizend aan.

’t Was aangenomen. De verkooper nam zijn geld aan. Toen hij zijn geld genomen had, trok hij heel rap op naar zijn dorp! De man, in zijn zotheid, hij, hij vroeg niets aan den kleine, dien hij gekocht had. Hij kwam op de markt terug, hij kocht vleesch en maniokbrood; hij kwam terug, hij sprak zijn kleine aan: Vooruit! Wij trekken op.

Maar de kleine antwoordde hem niet; hij, hij sprak niet; hij, hij uitte niet een woord. Hij bleef zwijgen.

De zot droeg hem, en zij trokken op; zij kwamen aan een rivier, en hij vroeg: Drinkt gij geen water?

De kleine, dien hij gekocht had, bleef zwijgen; hij zette hem neer op den grond. Maar om neer te zitten, hij wist het niet; hij zette hem recht, schepte water in een flesch, en gaf het hem. Hij, hij sprak niet. Hij gaf hem te drinken, maar ’t water liep van zijn mond af.

Hij werd kwaad, toen hij zegde: Vooruit, jongen, maak u niet kwaad! Waar gij gaat, zult gij niet eten? Uwe moeder heeft maniokbrooden gereed gemaakt.

Maar de kleine, hij trok niet op.

Hij droeg hem, kwam thuis en ging hem binnenleiden in zijn geheimkamer, legde hem neer op ’t bed, en kwam er uit; legde het vleesch dat hij gekocht had op een teenen vlechtsel. Eindelijk kwam zijn vrouw.

De vrouw vroeg hem: Wel! Hebt gij den kleine gekocht?

De man antwoordde: Bereid eerst uw maniok, dan zal ik den kleine halen. Indien gij geen eten voorbereidt, dan toon ik hem niet. Hij op de markt, hij heeft niets geëten, en toen wij op den weg waren, at hij ook niet. Veel schaamte is met hem. Misschien bij u, moeder, zal hij eten. Hij met mij, hij is vol schaamte.

De vrouw stampte maniok; bereidde hem voor; ’t was klaar.

Zij doodden een kieken, bereidden het; ’t was gedaan.

De vrouw zegde, alzoo: Wel, ga hem halen, dat hij kome eten.

De man ging, maakte hem wakker: Sta op!

Maar hij, hij zegde niets.

De vrouw, alzoo: Draag hem, misschien is hij in slaap.

En hij droeg hem, en hij plaatste hem in de kamer, waar de vrouw was. Om hem recht te zetten, hij kon niet recht.

De vrouw sloeg in hare handen: He moeder, man van een zot, gij koopt een stuk hout; de gasten hebben u bedrogen, gij zijt een tooverbeeld gaan koopen. De gasten hebben uw geld gestolen. He, mijn man, wist gij dat niet? Binnen vier dagen, met den Nsona, ga dat tooverbeeld terugdragen; neem ons geld terug.

Maar de man wilde niet.

Op zekeren dag in ’t dorp had een vrouw een geit verloren. Zij kwam tot bij den zot, alzoo: Laat ons gaan, vader, mijn geit is verloren; betoover dengene, die ze gestolen heeft!

En de zot, hij ging.

Toen hij betooverd had, hechtte het toovermiddel zich vast aan den man, die de geit genomen had.

De ouden, die hun kind bezaten, gingen onderzoeken, waarom het ziek was. ’t Tooverbeeld werd gevonden; hun kind was ziek, omdat het betooverd was door ’t tooverbeeld, dat men Mimbumbu noemt.

Zij gingen den man opzoeken, die dit tooverbeeld bezat. Zij vonden hem en hij kwam. Hij vroeg twee palmnoten en een soort van kruid, dat men dinsusu noemt. Hij bestreek hem; daarna vroeg hij een kieken om het te dooden; zij vatten een kieken, hij sneed het in stukken, en het bloed liet hij loopen op ’t tooverbeeld. Hij bereidde het kieken, dat de zieke ete. De toovenaar beval dan: Als hij zijn eten voorbereidt, de menschen, dat zij het niet zien. Bananen, dat hij ze niet aanneme, noch aardnoten, noch hanen.

Maar de ouden kochten dat verbod van geen hanen te eten af, want zij zegden: Veel wandelen wandelen wij op al de wegen. Misschien zal men ons met hanen spijzen. Wie zou dan ander vleesch zoeken?

De toovenaar zegde dan: ’t Is wel, koopt dit verbod af. Zij gaven hem negen mitakos. Dit verbod was nu afgekocht en daarmee mocht hij hanen eten.

En de toovenaar ging heen.

Zij antwoordden: Hij is gezond!

De ouden, die hun kind bezaten, deden den toovenaar komen om hun jongen van ’t tooverbeeld te verlossen, en om ’t verbod te heffen.

De toovenaar kwam; maar de jongen was nog niet verlost.

De toovenaar, hij bleef wachten dicht bij ’t dorp. Hij zong een lied met zijn slaven. De ouden, die hun kind bezaten, kwamen af. De toovenaar vroeg: Brengt zeven en twintig mitakos en een bananenrist en een korfje aardnoten en een kieken en een kruik palmwijn.

Zij brachten alles en zij kwamen; zij legden al die zaken vóór hem. De toovenaar vroeg een haan. Zij brachten hem; en hij zegde zoo: Ik steek ’t vuur in brand. Wij zullen nu ’t toovenaarsgeld bespreken.

Al de ouden kwamen af.

Hij, de toovenaar, overdreef: Vijf duizend mitakos.

Die hun kind bezaten: I, te veel, te veel! Wat zijt gij vandaag tegengekomen?

De kleinen zegden dat, om met hem te spotten.

Maar de ouden antwoordden: Stil, jongens, zegt dat niet. Indien hij gezegd had, wel zeven duizend, zoudt gij het niet betalen, wilt gij u hooger zetten dan den toovenaar?

De ouden stelden drie duizend. De toovenaar antwoordde: Indien ik afbied, ik bied niet meer af; wel vier duizend.

De ouden antwoordden: ’t Is wel! Onze kleine is genezen. Armen heeft hij. Zij zijn niet dood. Hij kan werken.

De toovenaar stak ’t vuur aan; hij vroeg een beetje poeder, hij vroeg ook een weinig palmwijn. De zieke vroeg een biezenmat; zij plaatsten den zieke op de mat.

De toovenaar heelde den zieke; hij liep rond ’t vuur, drie rondloopen. Hij kwam weer terug op de mat; hij heelde weer.

Toen ’t heelen gedaan was, vroeg hij zeven en twintig mitakos; hij nam ’t verbod weg, en men betaalde hem om zijn toovenaarskunst.

De toovenaar antwoordde: Indien gij wilt, dat uw kind geneze, betaalt wat hij gestolen heeft.

Zij, de ouden, antwoordden: ’t Is wel.

En zij gaven andermans geit terug. En de jongen was geheel en al genezen.

De toovenaar kwam terug in zijn dorp. En zijn vrouw, toen zij ’t geld zag, dat hij bij zijn toovermiddel had gewonnen, werd jaloersch, en zegde, alzoo: De winst van uw toovermiddel zullen wij verdeelen!

Maar de man antwoordde: Toen ik ’t ging koopen op de markt, veel verwijten hebt gij mij verweten, terwijl gij mij zegde, alzoo: He Zot, wangedrocht van een man, die ’t geld gaat wegwerpen om een stuk hout te koopen! En nu, zouden wij verdeelen? Neen, ik wil niet.

In zijn dorp viel een vrouw ziek. Hij ging haar heelen met zijn tooverbeeld Mimbumbu, en zij genas. Alzoo werd zijn tooverbeeld overal vermaard.

Maar in zijn dorp werden eenige onder de ouden jaloersch, omdat hij, een zot, nu veel geld won.

De eenen zegden, alzoo: Wij vermoorden hem. Indien men hem niet kan vermoorden, dan geven wij hem slecht eten op.

Maar hij, toen hij dat hoorde, begon ze te betooveren met zijn toovermiddel; eenige namen een doodelijke ziekte op, en zij stierven.

Zijn spreekwoord verspreidde zich langs de wegen: Zij hadden hem op den schotel gemeten, en zij konden er op.

Kiduma.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings