← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

De gebroken Poederdoos

Reading edition

Zij, zij werden geboren, alle drie te zamen; Kinimbu, Kisinsu: twee meisjes, en Kubantu: een jongen.

Op een anderen dag, ging hun vader van den anderen kant der rivier; hij ging koophandel drijven.

En hij ging, en zij bleven bij hun moeder.

Hun moeder, op een morgend, toen de zon was opgestaan, zegde, alzoo: Ik ga naar ’t hooge gras; gij, blijft hier, mijne kinderen, en stampt luku. Ik zal ginder eten. Gij, eet hier.

Waar zij bleven, nam Kinimbu maniokmeel en stampte het. Kisinsu nam meloenzaad, en bereidde het.

En zij aten alle drie. Toen zij geëten hadden, alzoo: He, Kinimbu, laat ons naar de rivier gaan, wij visschen er.

Kubantu, alzoo: Ik neem de poederdoos van vader mee.

Kubantu zag er niet naar om; hij droeg de poederdoos mede. En zij gingen naar de rivier. Kisinsu, de oudste, ging voorop om te visschen. En zij gingen en gingen, alzoo: Kubantu, opgepast hier, dien steen in ’t water.

Kubantu, toen hij aankwam, de steen was glibberig en glibberig.

Voorzeker breekt de poederdoos van vader hier. Ziet ge wel, gij, wij hebben het u gezegd, laat de poederdoos van vader thuis; maar gij, gij wildet niet.

En Kubantu ging over den glibberigen steen en hij viel. De poederdoos ook viel in stukken.

’t Water werd zwart en zwart. Hij, alzoo: A, he, moeder, de poederdoos van vader?

Zij, alzoo: Wat is er, jongen?

Hij, alzoo: De poederdoos van vader is in stukken.

Zij: He, gij, wij hebben het u gezegd, alzoo: Laat de poederdoos thuis; gij, gij wildet niet. Maar, waar wij gaan, zeg het gebeurde aan mama niet. Hoe zullen wij doen? Laat mama afkomen; wanneer wij geëten hebben, dan zullen wij alles vertellen.

Hij, alzoo: Als gij het zoo zult zeggen, zal mama ons slaan.

En zij kwamen terug in hun dorp. En zij maakten de visschen gereed, alzoo: Hang ze daar aan ’t vlechtsel. Als moeder komt, zullen wij ’t gebeurde vertellen.

En zij bleven wachten en wachten, vol angst en tranen.

Hun moeder kwam terug, alzoo: He, Kisinsu, geef mij water, mama; ’t is stikkend heet, en ik heb grooten dorst.

En zij dronk water, en zij namen maniok, alzoo: Neem luku, mama!

Zij, de moeder, alzoo: De kruiderijen, wat zijn ’t?

Zij, alzoo: Vischjes!

En zij nam ze aan, en zij begon te eten.

Kisinsu, alzoo: He, mama!

Zij, alzoo: Wat is er, mijn kind!

Kisinsu, alzoo: Neen, moeder; wees gerust, mama, er is niets.

Zij, de moeder, alzoo: Zeg het mij; uw moeder, haar bloed bruischen het bruischt slechts.

Een onder hen, alzoo: Eet maar, mama, er is niets.

En de moeder at en at, ’t was gedaan.

Kisinsu, alzoo: He, mama, de poederdoos van vader, Kubantu heeft ze in de rivier gebroken.

Zij, de moeder, alzoo: He, mijn beste, de poederdoos van vader! Wat, gij hebt de poederdoos van vader gebroken; wacht, morgen ga ik u verbergen!

Wanneer het klaar geworden was, stampte moeder luku, nam vier kiekens, gaf ze aan Kubantu. Hij doodde ze en men maakte ze gereed.

Zij, de moeder, alzoo: Vooruit, ik ga u verbergen. Uw vader, als hij komt, zal u aldus niet verkoopen.

En zij gingen binnen, alle drie.

Ik, die u hier geplaatst heb, als ik kom met maniokbrooden en ik zing: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom! Als gij dat hoort, dat lied, komt er dan uit, want dan is uw moeder gekomen met eten.

En zij, de moeder, zij trok terug naar ’t dorp. Zij, de kinderen, zij bleven in ’t hol van den nsengaboom.

De moeder, ’s morgens toen de zon was opgestaan, vatte vier kiekens, gaf ze aan de kleine slaven, alzoo: He, mijn kleine slaven, ziehier, neemt deze kiekens en doodt ze mij.

Zij, alzoo: Geef ze, moeder, wij zullen ze u dooden.

En zij doodden de kiekens. Moeder bereidde ze, stampte luku, nam hare hak, droeg haren korf luku op den kop, en ging, waar zij hare kinderen gelaten had.

Toen zij aankwam, waar haar kinderen waren, dicht bij ’t hol van den nsengaboom, hief zij ’t lied aan: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!

En zij zong en zong haar lied, tot zij aan den boom kwam, en zij riep: He, Kinimbu!

Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!

He, Kisinsu!

Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!

He, Kubantu!

Kubantu, alzoo: Hier ben ik!

Zij, de moeder, alzoo: Wel, komt, komt buiten.

Zij kwamen er uit, alle drie. Zij nam de kiekens en de luku uit haar mandeken, en gaf alles aan haar kinderen, alzoo: Als gij luku eet, en gij mijne stem hoort, die heel fijn is, komt dan uit ’t hol. Maar indien het een grove stem is, komt er niet uit.

En zij trok terug naar haar dorp; op haar gelaat was droefheid, maar in haar hart toch vreugde, omdat zij hare kinderen nog bezat.

Op zekeren dag, toen de zon was opgestaan, sprak een visschenvanger, alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijn fuiken spannen. En hij was rivieropwaarts gegaan, en hij kwam nu af, rivierafwaarts. En hij ging en ging, en hij hoorde waar hij ging, iemand die een lied kwam zingen, alzoo: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!

Haar kinderen, hunne namen was zij aan ’t opzeggen.

Hij, alzoo: Wat, die vrouw, wat zegt zij? Zij komt hier in haar eigen zoo spreken.

En de vrouw wist niet, dat men haar afluisterde.

Hij, hij hoorde, dat zij aankwam, en zij kwam tot aan de opening van den nsengaboom, alzoo: He, Kinimbu?

En iemand antwoordde: Hier ben ik!

He, Kisinsu?

Hier ben ik!

He, Kubantu?

Hier ben ik!

En zij kwamen er uit, alle drie. De moeder, alzoo: Neemt uw luku aan. Maar gij, spreekt niet te hard. Als gij hoort dat ik kom ’t lied zingen, mijn stem, onthoudt ze wel. En nu welaan, gaat terug!

Zij gingen terug in hunne schuilplaats. De moeder vertrok ook.

De visschenvanger klom ook op naar ’t dorp, alzoo: Die vrouw, wat! Zij is daar haar kinderen gaan verbergen.

Dien dag ook, hij, de echtgenoot, was teruggekomen van den koophandel. Hij kwam tot aan zijn huis, en toen hij binnenging, zijn vrouw was er niet, noch zijn kinderen.

In ’t dorp waren er twee menschen naar ’t hooge gras gegaan. Hij hoorden op den hoek van ’t dorp, iemand die kemp aan ’t rooken was. Hij zegde, zoo: Wacht, ik ga mijn kemp rooken.

En hij ging tot aan ’t huis van den visschenvanger.

De visschenvanger, alzoo: Ik groet u!

Hij antwoordde: Ja, opperhoofd!

De visschenvanger, alzoo: Waar gij geweest zijt, waar is ’t?

Hij, alzoo: Langs den anderen kant van de rivier ben ik geweest, broeder. Maar toen ik hoorde, dat gij kemp aan ’t rooken waart, ik zegde zoo in mijn eigen: Ik zal gaan, hij zal mij kemp geven en ik rook ook.

De visschenvanger stak de pijp kemp aan, en zij vielen aan ’t rooken.

Hij, alzoo: Mijn vrouw, waar is zij gegaan?

De visschenvanger, alzoo: Ik, dezen morgend vroeg, ben ik hier opgestaan, ik ben ze niet tegengekomen.

Toen hij dat gezegd had, vielen zij weer hun kemp aan ’t rooken.

De visschenvanger vervolgde: Langs den anderen kant der rivier zijt gij geweest, hebt gij geenen kemp gekocht?

Hij, alzoo: Zeven bussels heb ik gekocht, broeder.

De visschenvanger, alzoo: Wel, ga, haal er, en verkoop mij kemp.

Hij, alzoo: Als ik er u verkoop, ziet ge, die muizen daar, zult gij mij verkoopen.

De visschenvanger, alzoo: Ik, als gij mij kemp verkoopt, misschien heb ik een zaak te vertellen.

Hij, alzoo: Welke zaak?

De visschenvanger, alzoo: Gij, wel, ga, haal kemp.

En hij ging naar zijn huis, en hij nam kemp en hij kwam terug.

De visschenvanger: Wel, verkoop mij nu. Gij, ’t kemp voor hoeveel verkoopt gij het?

Hij, alzoo: Zeg mij de zaak, waarvan gij gesproken hebt. ’t Ligt op mijn hart en ik denk en denk, welke zaak?

De visschenvanger: Zal ik het voor niet zeggen? Wel, wat zult gij mij geven? Wat wij zullen afsnijden, wat is ’t. Groote zaken zal ik u vertellen.

Hij, alzoo: Neem al mijn bussels kemp.

De visschenvanger: Bij den hoop twee duizend mitakos.

Hij, alzoo: Neem duizend aan.

De visschenvanger: Duizend en een geit wil ik.

Hij, alzoo: ’t Is goed. En nu, vertel mij die zaak.

De visschenvanger, alzoo: In uw huis, gij, hebt gij niets gelaten?

Hij, alzoo: Ja, mijn poederdoos had ik gelaten in de handen van mijn jongen, Kubantu.

De visschenvanger: Wel uw poederdoos, hij is ze gaan breken in de rivier. Maar hun moeder heeft ze verborgen alle drie, de kinderen.

Hij, alzoo: Waar is zij ze gaan verbergen?

De visschenvanger: Wacht tot morgen, dan zullen wij gaan.

Den volgenden dag, ’s morgens vroeg, toen de zon was opgestaan en ’t klaar geworden was, hij alzoo: Wel, laat ons gaan.

De visschenvanger: Wacht, dat zij, de moeder, weg is, naar ’t hooge gras. Neem maniokbrood in ’t huis van hun moeder. Als wij gaan, gij, spreek niet, ik zal een lied zingen.

En zij gingen tot aan de rivier.

Zij kwamen dicht bij ’t hol van den nsengaboom. De visschenvanger vong ’t lied aan: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!

En zij kwamen tot aan den stam van den nsenga.

De visschenvanger veranderde zijn stem, zij werd fijn en fijn, alzoo: He Kinimbu?

Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!

He, Kisinsu?

Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!

He, Kubantu?

Kubantu, alzoo: Hier ben ik!

De kinderen kwamen er uit, en zij zegden: Gij, zijt gij onze moeder nu?

En hij de visschenvanger: Komt er uit, uw moeder heeft het mij bevolen.

En zij kwamen af, alle drie, en zij zagen daar hun vader. Hun vader nam Kinimbu en Kisinsu. Hij sloeg Kubantu dood, en hij hakte hem in stukken.

De vader trok op met zijn kinderen, alle twee en hij ging ze verkoopen.

Waar Kubantu gebleven was, heel de gezichteinder was zwart geworden; de wolken dreven in aller haast door; de donder ratelde en ratelde; de bliksem flikkerde; en de regen viel en viel.

Terwijl de regen viel en de wind waaide door de boomen van ’t diepe woud, herleefde Kubantu!

De gehakte stukken van zijn lichaam kwamen bijeen, en hij herleefde; en hij trok terug in ’t hol, waar hij verbleef; vóór eenigen tijd met zijne zusters, maar nu alleen!

Den volgenden morgend had hun moeder kiekens gedood, en zij ging waar zij haar kinderen gelaten had. Zij hief weer ’t lied aan, gelijk zij het alle dagen aanhief: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!

He, Kisinsu!—Pidi.

He, Kubantu!

Hij, alzoo: Hier ben ik.

Zij, de moeder, alzoo: Wel, uw zusters, zij antwoorden niet. Wel, kom er uit! Wel, waar zijn de anderen, waar zijn ze?

Hij, alzoo: Vader is ze komen halen!

De moeder, vol gramschap, nam Kubantu, sloeg hem dood en hakte hem in stukken.

Dan kwam zij weenen en weenen tot in ’t dorp, waar haar man was, die in de hut was neergezeten.

Hij, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?

Zij, alzoo: Van ’t hooge gras.

Hij, alzoo: Wel, de kinderen, waar zijn ze?

Zij: De kinderen, waar ze gegaan zijn, ik heb ze niet gezien.

Hij: De moeder blijft bij de kinderen. En nu de kinderen, gij zegt dat gij ze niet gezien hebt.

Zij, alzoo: Terwijl zij in ’t dorp bleven, ik ben naar ’t hooge gras gegaan. Toen ik terugkwam, de kinderen, zij waren hier niet.

Hij, alzoo: Mijn poederdoos, die in huis was, waar is zij henen?

Zij, alzoo: Dat weet ik niet.

Hij, alzoo: Zij, zij is weg met de kinderen, voorzeker! Maar de kinderen, weet gij niet waar zij henen zijn?

Zij, alzoo: Wel, ik, mijn man, ik ben naar ’t hooge gras gegaan.

Hij, alzoo: Wel, ga het vragen aan uw familiestam.

Zij: Wacht! Morgen, zal ik gaan.

Den volgenden morgend, toen het klaar geworden was, vertelde zij het gebeurde aan hare zusters en broeders, alzoo: Mijn kinderen hadden de poederdoos van vader gebroken, en in ’t hol van een nsengaboom had ik ze verborgen, zij zijn daar niet meer.

Zij, alzoo: Wel, gij waarom hebt gij ze verborgen?

Zij, de moeder: Hun vader, vermits hij vol gramschap is, zou ze misschien vermoord hebben, als hij terugkwam.

Zij, alzoo: Voorzeker heeft hun vader de kinderen verkocht.

Kubantu, waar hij gebleven was, herleefde weer.

Zijn strikken zette hij alle dagen, om patrijzen te vangen. Maar de patrijzen, hij doodde ze niet; hij kweekte ze op, gelijk men kiekens kweekt. En in ’t hol van den nsenga ging hij slapen. Alle dagen spande hij zijn strikken, en ving patrijzen.

Op zekeren dag, toen hij naar zijn strikken was gaan zien, daar was een wouw in ’t net gevangen. De wouw spartelde en spartelde in den strik. Hij vatte hem.

De wouw sprak, alzoo: Laat mij los, dood mij niet; ik geef u een toovermiddel.

Kubantu, alzoo: Dat toovermiddel, waarin bestaat het?

De wouw, alzoo: Indien uw broer of zuster verkocht is, met dit toovermiddel neemt gij ze weer.

En hij liet hem los. De wouw gaf hem het toovermiddel, alzoo: Verander in een arend.

En Kubantu werd in een arend veranderd.

De wouw, alzoo: Stijg nu in den hemel op.

En hij steeg hoog in den hemel op.

De wouw, alzoo: Val nu terug op den grond.

En hij viel terug op den grond, en de wouw alzoo: Indien men uwe zuster verkocht heeft, als gij ze ziet op de de markt, waar gij gekomen zijt, verander u in een vogel.

En de wouw vertrok.

Kubantu trok terug naar zijn schuilplaats.

En hij ging tot op de markt, en hij verkocht zijne patrijzen. En hij ging tot bij een jonge maagd, alzoo: Neem de mitakos, verkoop mij een maniokbrood!

En hij, hij gaf de mitakos aan zijn eigene zuster.

Zij, alzoo: Wat! Gij, die zoo slordig zijt, ik zou u mijn maniokbrood verkoopen.

De zuster van Kisinsu sprak, alzoo: Neem de mitakos aan, en verkoop hem een maniokbrood.

En zij nam de mitakos aan, en zij verkocht een maniokbrood.

Kinimbu, alzoo: Maar, die jongen, gelijk hij daar is, ’t is juist onze Kubantu, dien wij bezitten. Waarlijk, zij gelijken goed op malkander.

En Kubantu ging terug tot in den omtrek van de markt; hij legde zijn maniokbrood in een stuk stof, en hij bond het vast aan zijnen paan.

En hij veranderde in een arend, en hij ging zitten op eenen kisoko-sokoboom, en hij slikte de granen er van in; daarna steeg hij hoog den hemel op, in den hoogen, hoogen hemel. Hij kwam neervallen op den wilden vijgenboom, die op de markt stond.

Zij, de menschen, alzoo: Daar een vogel, ziet, wat een vogel, he, een groote vogel!

De vogel was de nek aan ’t waggelen, hij liet de granen vallen, en zij vielen op den grond.

De menschen, alzoo: Die vogel, die spuwt schoone en schoone parels. Alle man haastte zich, en voor die parels waren zij aan ’t vechten, om ze op te rapen.

Eindelijk nog wiegelde hij met den nek, en Kinimbu en Kisinsu kwamen af, om de parels op te rapen.

De kinderen, alzoo: He, mama, gij!

De moeder, alzoo: A! Wat is het daar?

En waar zij het veegsel geworpen had, kwam zij naderbij zien, en zij zag hare drie kinderen. De moeder, alzoo: He, mijn besten, van waar zijt gij gekomen?

Zij, alzoo: Wij, vader had ons verkocht! En ziet ge, Kubantu is ons komen opvatten.

En zij gingen ’t huis binnen, en de moeder vatte eene geit, zij slachtte ze, sneed ze in stukken, en spijsde hare kinderen.

’s Morgens, toen de zon was opgestaan, nam zij hare kinderen en zij vertrok naar haren familiestam.

Haar man bleef alleen in ’t dorp dwalen!

Songia.

Notes in this chapter

Note 1 · De poederdoozen zijn gemaakt van kleiaarde ofwel van gedroogde pompoenvruchten. Die poederdoozen hangen de negers aan hunne zijde, als zij gNote 2 · Bangala = Naam van een volksstam van Boven-Kongo. Onder dezen volksstam koos de Staat zijn eerste soldaten uit. ↑Note 3 · Nsenga: Het hout van dien boom is heel licht en wit. ↑Note 4 · Pidi = Alles was stil. Geen antwoord. ↑Note 5 · Naam van een markt. ↑Note 6 · Eeretitel. ↑Note 7 · Geschreeuw van den arend. ↑Note 8 · Gerucht van iets dat men wegwerpt. ↑Note 9 · Op zekeren dag zegde hun vader tot Kubantu: Kubantu, moest er een twist ontstaan, mijn poederdoos1 neem ze, en vlucht er mee.Note 10 · Kinimbu, alzoo: Wat! Gij, de poederdoos van vader, de Bangala2 zullen ze afnemen. Gij, als gij die poederdoos meedraagt, indien zij gebrokenNote 11 · En zij gingen in het uitgestrekte woud, en zij gingen binnen en binnen in ’t woud; zij vonden een hol in een nsengaboom3. En de moeder keerdNote 12 · En zij kwam tot aan den stam van den boom, alzoo: He, Kinimbu!—Pidi4.Note 13 · Op zekeren dag, was de Nkenge verschenen. Hij, alzoo: Ik neem mijne patrijzen, ik ga ze verkoopen naar den Nkenge5.Note 14 · Hij, alzoo: Wel, zusterken6, ’t is voor mij, ik koop het.Note 15 · De vogel, alzoo: Wo, wo, wo, wo, wo7! Hij vatte Kisinsu en Kinimbu, en hij steeg met haar in de lucht, en zij kwamen vallen, dicht bij hun dNote 16 · De moeder had haar huis uitgekeerd, alzoo: Ik zal dit veegsel oprapen en het gaan werpen op den vuilnishoop. En zij ging het werpen, alzoo:
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings