← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Moni Mambu1

Reading edition

Moni Mambu1

Hij zag eene bende Bambata, die in ’t dorp aankwam, en die ging slapen op de koer van ’t dorp. Hij ook, daar sliep hij.

Maar in den nacht, toen de Bambata aan ’t slapen waren, hij, hij stond op; hij sneed den gelubden beer van ’t opperhoofd van ’t dorp in stukken.

’t Opperhoofd wilde er feest eener begrafenisse mede houden.

Hij, Moni Mambu, ging terug naar de Bambata; sneed ’t vleesch in stukjes en legde het in de zakken van de Bambata.

Hij maakte ze wakker; zij stonden op. Hij zegde hun: De gelubde beer van ’t opperhoofd van ’t dorp is verloren; gij, hebt gij hem gestolen?

De Bambata: Wij toch niet; aan ’t slapen waren wij.

Hij, dus: Schudt uwe zakken uit.

Toen zij hunne zakken uitschudden, kwam het vleesch te voorschijn.

Moni Mambu antwoordde: Hoort ge, gij niet; gij hebt ’t vleesch niet gestolen!

De Bambata hadden veel verdriet, omdat die zaken op hunnen hals gevallen waren.

Moni Mambu ging ’t opperhoofd van ’t dorp verwittigen, alzoo: Wij nemen al ’t geld van de Bambata af, omdat zij uw verken gestolen hebben.

Zij namen al ’t geld van de Bambata af, en deze stonden daar nutteloos te weenen; zij trokken terug naar hun dorp, maar zonder geld.

Moni Mambu ging ’t geld met ’t opperhoofd van ’t dorp verdeelen, toen hij zegde: Ik, ik heb de dieven gevonden; kom buiten met uw geld, wij verdeelen.

Zij verdeelden, en Moni Mambu trok op.

Waar hij ging, kwam hij weer een andere bende Bambata tegen, die kwamen ivoor koopen. Moni Mambu ging zitten bij ’t vuur van de Bambata, hij groette ze; zij vertelden en vertelden, zij sliepen.

Toen zij aan ’t slapen waren, ging Moni Mambu ’t lijk van een opperhoofd, die gestorven was, halen; legde het neer in ’t midden van de Bambata.

De Bambata stonden op; zij weigerden, alzoo: Wij, wij toch niet!

Maar onder een biezenmat, zagen zij slaaplakens, die uitkwamen.

Moni Mambu zegde zoo: Maak dien man daar wakker, en vraagt het hem.

Zij maakten hem wakker en zij zagen: ’t Was het lijk.

Zij stonden verwonderd en verwonderd. De Bambata zegden tot Moni Mambu: Wij zullen u een schoon geschenk geven.

Hij, alzoo: ’t Is wel, ouden, geeft maar, ik zal ’t zwijgen.

Zij gaven drie duizend mitakos.

Maar toen hij zijn geld had ontvangen, ging hij het wegsteken; hij kwam terug, ging ’t nieuws vertellen aan ’t opperhoofd van ’t dorp, alzoo: Luister, ’t lijk, dat gij aan ’t zoeken zijt, de Bambata hebben het gestolen.

’t Opperhoofd van ’t dorp, alzoo: Wij binden al de Bambata vast.

Hij bond ze vast, stal al hun geld. Dan liet hij de Bambata los, die zonder een duit optrokken naar hun dorp.

Moni Mambu ging ’t geld met het opperhoofd van ’t dorp verdeelen; daarna ging hij zijn geld halen, dat hij weggestoken had.

Hij ging naar een ander dorp. Hij ontwaarde het lijk van een mensch, dien men gedood had, omdat de toovenaar hem als een slechte geest aangewezen had. Zijn lijk had men in ’t hooge gras geworpen. Moni Mambu sneed er een been van af. Toen hij het laten drogen had, raapte hij het op en ging op weg. Hij kwam aan een land waar een vrouw aan ’t hakken was; zij had haren draagkorf in de schaduwe van een boom gelegd. Moni Mambu, toen hij kwam, boog zich achter den korf en wierp er ’t been in. Dan kwam hij tot bij de vrouw en hij vroeg: He, mama vrouw, geef mij water.

Mama, de vrouw, alzoo: Ga en drink, de kruik ligt in mijnen draagkorf.

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Den draagkorf, ik bezit hem niet, mijn moeder. Mag ik er mijn arm insteken?

Zij, alzoo: Ga maar gerust, vader.

Hij ging naar den draagkorf. Hij wilde de kruik uit den korf nemen, hij zag ’t been; hij riep de vrouw, alzoo: He, moeder!

De vrouw antwoordde: Hier ben ik, vader.

Zij kwam.

Moni Mambu zegde tot de vrouw, alzoo: Hoort ge, gij zijt geen heks! Maar, dit menschenbeen, waar hebt gij dat gehaald?

Zij, de vrouw, weigerde: Ik heb er geen been ingelegd, vader! Ik, de anderen betooveren mij.

Moni Mambu nam de vrouw bij den arm, alzoo: Vooruit naar ’t dorp bij de ouden, wij gaan de zaak regelen.

Zij gingen naar ’t dorp bij de ouden. Zij regelden de zaak. Moni Mambu, daar hij een deugniet was, begon eerst de zaak te regelen met de ouden, alzoo: Deze vrouw is een heks. Ziet! (En hij toonde ’t been). Een lijk heeft zij opgeëten.

De vrouw wilde spreken, maar de ouden berispten haar, alzoo: Het teeken is hier, hoe kunt gij u verdedigen?

Zij doodden de vrouw, zij wierpen haar in ’t gras. ’t Been ook wierpen zij weg.

Moni Mambu ging ’t been weer zoeken in ’t hooge gras. En hij vertrok. Hij kwam weer een vrouw tegen, die haar land aan ’t hakken was om er maniok te planten. Toen hij zich wilde verbergen, en bij den korf kwam, om er ’t been in te werpen, maar de vrouw zag het: He, man, wat doet gij daar aan mijn korf?

Zij kwam toegeloopen en pakte hem vast, alzoo: Gisteren hebt gij een onschuldige vrouw doen vermoorden, en nu zoudt gij mij ook willen vermoorden!

Zij riep de mannen, die in ’t dorp gebleven waren. Zij kwamen. Zij bonden Moni Mambu vast, en zij leidden hem tot in ’t dorp. Zij kapten een hoogen staak af, maakten een kooi, en zij deden er Moni Mambu in vast. Zij gingen tot aan een kruisweg; plantten den staak in den grond, plaatsten de kooi boven op den staak, en daar boven was Moni Mambu aan ’t weenen: He, broeders, doet mij er af, ik zal zoo niet meer handelen.

Maar zij spotten met hem, alzoo: Gij, een ontaarde zoon van uw moeder! Vandaag hebt gij immers wat gij gezocht hebt.

Zij, de Bambata, alzoo: Wij willen den hoed niet opzetten.

Zij gingen weg. Maar hij zag een andere bende, die volgde. Daar was ’t opperhoofd der Bambata bij. Hij vroeg hem: He, oude mensch, kom, kom waar ik ben.

Hij weigerde niet, hij kwam tot bij den staak; hij vroeg: Wel, wat zegt gij?

Moni Mambu zegde hem, alzoo: Wilt gij den hoed opzetten, die met veel geld is?

Hij, alzoo: Hoe zet men hem op?

Moni Mambu, alzoo; Kom, klim op den staak.

En hij klom.

Doe de slingerplanten los.

Hij deed ze los. Moni Mambu kroop er uit. Nu, gij, kruip er in!

’t Opperhoofd der Bambata kroop er in. Moni Mambu sloot de opening van de kooi, en daalde naar beneden. Hij ging. ’t Opperhoofd was daar boven gevangen.

Maar Moni Mambu, toen hij aan een land aankwam, waar een vrouw haar aardnoten aan ’t oogsten was, alzoo: Geef mij water, mama, goede vrouw.

De vrouw, alzoo: Hier, ik heb er geen, vader. Neem daar aardnoten, brand ze eerst. Eet ze met mijn kind.

Moni Mambu brandde het kind, at aardnoten op en ’t kind. De moeder wist het niet; zij was aardnoten aan ’t oogsten.

Hij, alzoo: Wel, geef mij nu water. Ik heb aardnoten geëten met uw kind.

De vrouw kwam, alzoo: Geef ’t kind, dat ik het wassche.

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Hebt gij niet bevolen, alzoo: Brand aardnoten, eet ze met ons kind. Het kind heb ik opgeëten met aardnoten. Waarom vraagt gij het nu mij?

De moeder aan ’t weenen en weenen; zij ging hare hak halen, om er Moni Mambu mee dood te slaan. Zij kwam met hare hak, waar Moni Mambu was. Maar Moni Mambu sprak, alzoo: Vooruit, naar ’t dorp bij de ouden, wij gaan de zaak regelen.

Zij gingen naar ’t dorp. Zij regelden de zaak. Moni Mambu had gelijk; zij betaalden een slaaf aan Moni Mambu. Hij nam zijn slaaf, en hij ging. Toen zij op den weg kwamen, zag Moni Mambu op een palmboom een palmnotenrist hangen; hij klom erop; hij was aan ’t snijden; zijn slaaf bleef onder den boom staan; hij sneed den palmnotenrist af, en deze viel den man op den kop. Hij stierf. Moni Mambu daalde beneden, zag naar zijn slaaf; hij was dood. Hij liet zijn palmnotenrist liggen, nam zijn slaaf op, en hij trok er mee op. Hij kwam aan een dorp, waar men aan ’t dansen was, ’t was feest. Hij trok een huis binnen, legde ’t lijk neer onder een biezenmat. Hij kwam er uit.

De jongelingen kwamen ’t huis binnen om te spelen op de biezenmat, waar ’t lijk onder lag. Moni Mambu kwam toegeloopen en sprak: Loop weg uit ’t huis, mijn slaaf ligt daar.

En hij kwam zien: Wo! Mijn slaaf hebben zij gedood.

Zij, alzoo: Wij hebben hem niet gedood.

Zij vereenigden de ouden van ’t dorp, zij regelden de zaak. Moni Mambu had gelijk. Zij betaalden hem een slaaf. En hij ging weg.

Hij ging weer naar ’t dorp, waar men hem een slaaf betaald had, die onder den palmnotenrist gestorven was. Daar danste men met trommelslag en handgeklap. Hij kwam ’t dorp binnen. Hij ging tot bij de trommels. Toen zij hem zagen, alzoo: Wo! Gij, hier hebben wij u niet gebonden. Wie heeft u losgemaakt? Van waar zijt gij gekomen?

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Uit ’t water ben ik gekomen van uit ’t dorp uwer ouden!

Zij vroegen hem: Waar zijn ze, man?

Hij, alzoo: Onder ’t water zijn ze; ’t is een groot dorp.

Maar hij bedroog ze alzoo.

Zij, alzoo: Vooruit, ga het ons toonen.

Moni Mambu, alzoo: Gaan, wij gaan. Maar vervaardigt eerst groote fuiken.

Zij vervaardigden de fuiken. Zij droegen ze tot bij het water.

Hij, alzoo: Kruipt er in, gij allen.

Zij kropen er in; hij maakte ze vast. Maar een vrouw weigerde, en zegde: Ik wacht, totdat zij bovenkomen.

Moni Mambu stoot deze fuiken vol menschen in ’t water. Zij verdronken allen. Hij wilde deze vrouw vastpakken en in ’t water werpen. Maar de vrouw was vol kracht en leven. De vrouw hield hem vast en riep zoo hard dat zij kon: He, la, la, la, la. He, mannen, spoedt u! Ik heb den slechten geest vast.

De mannen kwamen af, grepen Moni Mambu vast, en vermoordden hem.

Mbengo.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings