Een Redetwist
Reading edition
Op zekeren dag waren de ouden in hun dorp vergaderd en rond ’t vuur gezeten; de kleinen waren daar ook. Zij, de ouden, haalden weer de euveldaden van den luipaard op.
Een jongeling onder hen, zegde zoo: Ik, den luipaard, ik heb hem nog niet gezien, sedert ik geboren ben.
Een andere oude, alzoo: Gij, den luipaard, hebt gij hem nog niet gezien?
Hij, alzoo: Ik heb hem nog niet gezien, hoe hij is. Dien dag, dat ik hem zie, schieten ik schiet hem.
Hij, de oude, alzoo: Gij, gij zoudt hem schieten?
Hij, alzoo: Ik schiet hem.
Hij, de oude, alzoo: Wel, ’t is wel, gij zult den luipaard schieten!
Zoo zegden zij rond den noen. De zon begon te dalen; hij, de jongeling, die geredetwist had over den luipaard, nam zijn geweer en zijn palmboommes, alzoo: Ik, ik ga naar de palmboomen.
Hij kwam naar beneden. Hij nam zijn geweer op; hij kwam terug naar ’t dorp.
Hij, de oude, alzoo: Wel, hebt gij den luipaard geschoten?
Hij, alzoo: Dien grooten, ik heb hem niet geschoten. Dat geweer lag beneden, en ik was boven op den palmboom. Hoe zou ik hem geschoten hebben?
Hij, de oude, alzoo: Ziet gij het! Gij, hoort gij, schieten zoudt gij hem, waarom dus hebt gij hem niet geschoten?
En de oude had gelijk.
Kingombe.