Een Oorlogsverklaring
Reading edition
Het is lang, lang geleden, dat de ouden verteld hebben: In mijn dorp was er een opperhoofd; zijn naam was Nsiku. Hij was heel sterk en sterk om oorlog te voeren.
Op zekeren dag ging hij naar de markt. Zijn schoonzoon, die in een ander dorp woonde, te Yuba, was ook naar de markt gekomen; hij was in schuld met zijn schoonvader. Honderd mitakos moest hij nog betalen.
Terwijl de schoonzoon een geweer kocht, hij, de schoonvader, die geld geleend had, alzoo: Vandaag betaal mijn geld.
Hij, alzoo: Ik bezit het vandaag niet. Hoe zou ik het u geven!
De schoonvader, alzoo: Zoo handelt men met mij niet.
Hij, ’t opperhoofd, die sterk en sterk was, en wreed en wreed, zegde tot zijn mannen, die op de markt waren: Gaat terug naar ’t dorp.
Toen zij terug kwamen, beval hij, dat men de oorlogstrommel zou slaan. En de oorlogstrommel weergalmde en weergalmde.
Hij zelf, hij ging in aller haast naar Yuba, om ze op te hitsen; hij was vol gramschap.
Toen hij in ’t midden van ’t dorp kwam, sprak hij, alzoo: Op de markt hebt gij mij met aarde geworpen, maar vandaag doodt mij.
Zij, zij dreven met hem den spot, alzoo: Omdat gij uw schoonzoon bezit, is ’t daarom dat wij den oorlog zouden voeren?
Hij, alzoo: Neen, neen, ’t is daarom niet. Maar ’t is omdat gij met aarde geworpen hebt.
De mannen van Yuba, alzoo: Wel, gij, opperhoofd van Mbengo, begin.
De mannen van Yuba trokken ook op ten oorlog, alzoo: He, mannen, hoort gij de oorlogstrommel, die weergalmt! Vooruit de geweren en ’t poeder. Wij treffen ze in den kop. Vooruit!
Waar zij waren, begonnen de mannen van Yuba eerst te schieten; zij vochten en vochten tot de zon onder de aarde onderging. ’s Avonds konden zij niet veel meer vechten.
Hij zag ’t opperhoofd van Mbengo afkomen, die vol blijdschap was om den oorlog; hij mikte hem juist; hij schoot; en ’t opperhoofd viel op den grond; hij was gestorven.
De mannen van Mbengo, toen zij hooren schieten hadden, waar hun opperhoofd gegaan was, gingen naar die plaats, alzoo: Laat ons gaan. Misschien is ’t opperhoofd dood. Misschien hakt men hem in stukken, indien wij ons niet haasten.
En zij kwamen, zij ontwaarden hun opperhoofd, dat slechts een lijk was. Zij droegen hem naar hun dorp; zij trokken terug naar den oorlog, alzoo: Ons opperhoofd is dood; wij, zijn onderdanen, wij zijn hier; vandaag ’t is maar vechten en vechten.
En zij vochten negen dagen lang.
De mannen van Yuba gaven zich over, zij betaalden veel geld, omdat men ’t opperhoofd had doodgeschoten. Men stelde den dag, om de zaak te regelen.
De gestelde dag was aangebroken.
De mannen van Mbengo namen de oorlogstrommelen en de cimbalen en de klokjes; zij gingen om de zaak te regelen. De mannen van Yuba kwamen ook uit hun dorp om ’t geschil te vereffenen.
En de avond viel in de streek en de zon stond op, en zij aan ’t zoeken naar de oorzaak van den oorlog.
En zij zochten en zochten, zij vonden de oorzaak.
Maar de mannen van Mbengo hadden gelijk, ter oorzake van de aarde, die men op de markt geworpen had.
Dat was bij ons, in vroeger tijden een wet, dat men op de markt met geen aarde mocht werpen, of anders was het oorlog. En die wet heerschte in gansch de streek.
Hij verwoestte vele dorpen, en overal boezemde hij schrik in, hij hing om zijnen hals de ooren der menschen, die hij gedood had.
Toen de Staat hier gekomen is, werd hij achtervolgd; maar hij ging vluchten naar den anderen kant der rivier Inkisi. Hij is daar vóór eenigen tijd gestorven. Zijne hoovaardigheid was gedempt.
Nu heerschen er geen opperhoofden meer, gelijk eertijds.
Onze dorpen zijn uitgestorven, en de ouden, die overblijven, hebben allen moed verloren.
Mbengo.