Na Makumba1
Reading edition
Na Makumba1
Een echtgenoot had zijne kinderen gebaard; maar als hij ze baarde, ze waren niet zooals hij gewenscht had.
De vrouw, die hij getrouwd had, baarde hem een tweeling. Al de menschen, die deze kinderen zagen, waren verwonderd en verwonderd, omdat zij zulke groote navels hadden.
Hij, de echtgenoot, sprak dan, alzoo: Die heb ik niet gebaard!
En vol gramschap zegde hij tot zijn vrouw, alzoo: Wel! Ga deze kinderen wegwerpen, omdat zij niet schoon zijn.
Zijn vrouw, alzoo: Zij zijn nu geboren, en nu moet ik ze weer wegwerpen?
Maar de man luisterde niet en hij zegde, alzoo: Ga ze wegwerpen!
Toen de vrouw ze wegwierp, werden zij geworpen langs het maniokveld. En de regen viel, een stortregen; en als hij aankwam, dreef hij de kinderen naar ’t water tot aan de rivier. En zij vielen op een zandbank en zij aten zand.
En zij groeiden en groeiden; zij begonnen te gaan: een jongen en een meisje. De jongen, die veel verstand had, alzoo: Laat ons opklimmen naar ’t hooge gras.
En zij kwamen tot in ’t hooge gras. Op zekeren dag, ging de jongen tot aan een maniokveld. Toen hij daar aankwam, zag hij maniok, dien men uitgetrokken had.
Hij, alzoo: Misschien eet men dat?
En hij proefde, en hij ging het dragen aan zijn zuster. En zij aten, alle twee.
Op een anderen dag, kwam hij terug en hij zag muizenstrikken, die men gespannen had. Maar, toen hij naderbij keek, zag hij muizen, die den maniok in ’t midden hadden opgeëten. En hij kwam en hij zag een muis, die gestorven was. Hij haalde ze uit de muizenval, en hij kwam ze toonen aan zijne zuster.
Hij, hij dacht, alzoo: ’t Is niets, ik leg dat daar neer.
Op een anderen dag trok hij terug, en hij zag weer de muizenstrikken; hij ledigde ze, en hij ging terug bij zijne zuster.
’s Morgens vroeg, toen zij wakker werden, ging hij weer, en veel muizen waren in de strikken gevangen.
Verwonderd en verwonderd zegde hij, alzoo: Ziet ge, die zaken, dezelfde lagen er gisteren; maar wij weten den naam niet. ’t Is niets.
En hij ledigde de muizenstrikken, en hij ging tot op den grooten weg. En hij ging zich verbergen in ’t hooge gras.
Toen zag hij menschen, die naar de markt gingen; maar hij kwam uit ’t hooge gras niet uit; hij bleef wachten tot dat die bende menschen voorbij was.
De jongen sprak, alzoo: Wat gij ziet, wat is het?
En hij toonde de muizen.
Maar die oude had het niet goed gehoord. En hij luisterde.
Toen sprak de kleine weer, alzoo: Wat ik zal geven, zie, wat het is?
Hij, de oude, hij ging tot bij den kleine. En hij bezag den kleine, die gansch naakt stond. Hij was geheel en al verwonderd, alzoo: Van waar zijt gij gekomen, gij?
Maar de kleine antwoordde, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men weggeworpen heeft. Weggeworpen, zij hebben ons weggeworpen.
Hij, de oude, vroeg, alzoo: En waar verblijft gij?
De kleine, alzoo: Een is ginder gebleven; maar ik, ik ben gekomen om deze zaken te toonen, om te weten wat voor zaken dit zijn.
De oude zegde hem, alzoo: ’t Zijn muizen, eten men eet ze.
Hij, de kleine, alzoo: Hoe eet men ze?
Hij, de oude, alzoo: Als gij vuur aansteekt, dan brandt gij ze, en daarna eet gij ze op met luku.
De kleine, alzoo: ’t Vuur, hoe is het?
Hij, de oude: ’t Vuur, ziehier.
De kleine, alzoo: Luku, wat is dat?
De oude, alzoo: Luku, ziehier.
En hij toonde hem luku, alzoo: Als gij de muizen brandt, als zij gereed zijn, eet ze dan met luku, dien gij in brokken breekt.
De kleine nam deze zaken aan en hij ging. De oude gaf hem ook een paan, en hij kleedde hem aan om de lenden van den kleine. En de kleine trok op, waar zijne zuster was.
Toen hij bij zijne zuster aankwam, was deze verwonderd en verwonderd, alzoo: Wat is dat, Yaya?
Hij, alzoo: Die zaken gegeven, zij hebben ze mij gegeven. Maar die zaken, die wij wegwierpen, men eet ze op. De naam dier zaken: muizen. Toen ik ze ging toonen, hij, die mij tegengekomen is, heeft mij alzoo gezegd: Die zaken eet men. Ik, ik vroeg, alzoo: Hoe eet men ze? En hij, hij toonde mij, hoe men ze at. Hij gaf mij ook deze andere zaken. En dien paan, dien ik aangekleed heb, en dien luku en dat vuur, dat heeft hij mij gegeven.
Aldus vertelde hij aan zijne zuster.
Maar die man heeft mij nog gezegd, alzoo: Als gij drie dagen zult slapen, dan den vierden dag kom hier op dezelfde plaats. Ik moet hem muizen brengen en hij zal ze verkoopen op de markt. Wat wij alle dagen hooren, waar de menschen spreken, dat is de naam daarvan. Al de menschen kleeden er een paan aan.
Zij, de zuster, alzoo: Hoe zijn die panen?
Hij, alzoo: Zij zijn, gelijk den paan, dien hij mij gegeven heeft.
De vier dagen, die hij gesteld had, verschenen en hij ging; hij bracht de muizen tot op de plaats, die men aangeduid had.
De uur van de markt verscheen en de menschen gingen voorbij en gingen voorbij. De oude volgde van achter.
En hij keek naar den kleine, alzoo: Ik ben gekomen, breng uwe muizen.
En hij bracht kleine muizen en groote, alzoo: Gij, gij kent ze. Hoor je, men eet ze; draag ze naar de markt om ze te verkoopen.
De oude nam ze aan, alzoo: Wacht mij hier, totdat wij terugkomen van de markt.
De kleine bleef daar zitten. De oude kwam terug en hij gaf hem de zaken, die hij gekocht had, alzoo: Dit is een mes; dit is een vrouwenpaan, geef hem aan uwe zuster, dat zij niet meer naakt blijve; dit is luku en peper en zout.
En hij ging.
De jongen kwam waar zijne zuster was. Zij, toen zij die zaken zag, was verwonderd en verwonderd, alzoo: Al deze zaken, ’t zijn dezelfde, waarvan gij mij over eenigen tijd gesproken hebt.
En zoo was het alle dagen. Hij, de kleine, ging muizen dragen, en de oude ging ze verkoopen.
De oude kocht hem een slaaf, en hij zegde, alzoo: Gij, ga en leer hem alles.
De kleine nam den slaaf aan en zij gingen te zamen.
Zij veranderden van plaats en gingen zich vestigen op den berg.
Die slaaf sprak, alzoo: He, vader, als wij hier blijven, bouwen wij dan geen huis?
Hij, alzoo: Ia! Dat huis, hoe is dat? Bouw maar, gij kent een huis.
Hij, de slaaf, alzoo: Gij, vermits gij zegt, alzoo: Een huis, hoe is het, kent gij het huis niet, waarin men slaapt?
Hij, alzoo: Neen, ik ken geen huis. Maar bouw er een.
De slaaf, alzoo: ’t Is goed, ik zal er een bouwen.
En hij maakte eene plaats schoon, en hij zette een klein hutteken recht, alzoo: Ziet ge, gij vraagt het huis, hoe het is, gij weet het niet. Nu ziet gij het!
Die slaaf leerde hem alle werken, en de kleine kreeg verstand. Hij schoot veel wild, en de slaaf verkocht alles op de markt met den oude, zijn vriend. ’t Geld kwam er bijeen gestroomd. Hij kocht weer twee andere slaven, een jongen en een meisje. En alzoo, na eenigen tijd, was het een groot dorp geworden. En men baarde kinderen, en ’t dorp werd groot en groot. Geiten en verkens waren er in overvloed; men kon ze niet tellen.
En de slaven zegden, alzoo: He, vader, zoudt gij niet gaarne willen, dat wij onze trommel kochten?
Hij, de vader, alzoo: ’t Is goed, koopt maar. Indien gij geen trommel koopt, is dit geen dorp?
Zij, de slaven, alzoo: In een groot dorp moeten de trommels weergalmen.
En zij kochten eene trommel. Maar toen zij een kochten, alzoo: Wij zullen beproeven of zij een goede stem heeft?
En zij trommelden, alzoo: De deze, zij is heel schoon.
Zij namen de trommel en zij legden ze in de hut.
Eenige dagen waren vervlogen, alzoo: Wij zullen beproeven of zij goed droog is.
De avond was gevallen en de maan verlichtte den hemel. Mannen en vrouwen hadden geëten, en men begon te roepen, alzoo: Komt af, wij dansen.
Allen kwamen af, men begon in de handen te slaan, men hief een lied aan, en men danste en danste.
Maar de menschen, die in den omtrek waren, hoorden de trommel weergalmen en zij waren verwonderd en verwonderd, alzoo: Die trommel, waar weergalmt zij? Wat! Hier in ’t omliggende, wij kennen er geen dorp.
En zij dachten en dachten. Maar toen zij die trommel hoorden, die aan ’t weergalmen was, bleef toch het dorp onzichtbaar, en men hoorde er menschen spreken.
Hunne harten branden zij brandden. En zij gingen langs de zijwegen en zij luisterden naar de plaats, waar men aan ’t spreken was, en zij konden het niet vinden.
Maar er was een oude, een goede jager, die zegde: Morgen, ware het nacht en nacht, daar, waar die trommel aan ’t spreken en weergalmen is, zal ik aankomen, daar ga ik jagen.
En men sliep.
Maar die oude, ’s morgens vroeg, toen hij de hanen hoorde kraaien, nam zijn geweer en zijn zaksken, hing ze aan de schouders en hij vertrok.
En hij ging langs den grooten weg. En hij ging en ging.
Hij luisterde. ’t Was langs daar niet. Hij, alzoo: ’t Is langs hier, daar heb ik de trommel hooren weergalmen.
En hij volgde en volgde die richting. Hij kwam aan een groote bron aan. Hij ging rivierafwaarts. Daarna kwam hij aan een andere bron tot aan een uitgestrekte vlakte. Hij ging weer eene bron binnen en kwam in ’t hooge gras uit. Daar hoorde hij menschen, die aan ’t tateren en wemelen waren. Hij kwam tot in ’t midden van ’t dorp. Maar ’t was een uitgestrekt dorp. Als hij rondkeek naar hier en daar, overal stonden er veel hutten.
Hij beefde en beefde, omdat hij dat dorp niet kende en van wie dit dorp was.
En hij volgde en volgde, en hij kwam aan ’t gehucht van ’t opperhoofd.
En hij ging daar zich neerzetten. Zijn geweer legde hij langs den strooien muur. De kleinen, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Ia! Die daar, wie is hij?
En zij gingen loopen tot aan de hut van hun opperhoofd, alzoo: He vader, die daar, zie, wie is hij?
Hij, alzoo: Gaat hem verwittigen, dat hij kome.
De kleinen kwamen en gingen hem verwittigen, alzoo: Welaan, ga naar ’t opperhoofd, onze vader.
Hij, hij dacht, wie hem daar uitnoodigde: Ik, ik ken dien man niet. ’t Is niets. Ik zal gaan.
En hij ging. Hij kwam aan de hut van ’t opperhoofd, die hem uitgenoodigd had, en hij zegde hem: Goeden dag. Het opperhoofd vroeg hem nieuws. Hij ook, hij antwoordde; maar de schaamte had hem gevat, en hij zegde niet, alzoo: Ik ben hierom gekomen: Toen wij gisteren de trommel hoorden, die hier op deze plaats aan ’t weergalmen was, waren wij aan ’t redetwisten en ik zegde, alzoo: Ik zal morgen dat dorp zien.
Hij, hij sprak zoo niet, hij zegde iets anders, alzoo: Dezen morgend heel vroeg, ben ik uit mijn dorp vertrokken. Ik ben in deze bosschen binnengedrongen, en toen ik er uitkwam, stond ik in uw dorp. Ik, ik was verwonderd en verwonderd; ik vroeg mij af, van wie dit dorp mocht zijn.
Hij sprak alzoo en ’t was alles wat hij zegde.
Na Makumba beval aan zijn slaven eten voor te bereiden en zij kwamen het hem geven. En hij at en at, hij kost het niet; ’t was te veel eten. En hij bond zijn vleesch en luku vast en hij legde het in zijn paan. Men bracht hem nog twee kruiken palmwijn. Hij dronk en dronk; hij kost het niet. De palmwijn was hoofdig. Hij sliep op die plaats. De avond begon te vallen en hij stond op. Hij zag naar de ligging van zijn dorp en vertrok, van waar hij gekomen was. Hij trok zijn mes uit de scheede en hij sneed teekens in de boomen om den weg te onthouden. Alzoo kwam hij op den grooten weg aan tot in zijn dorp.
Hij kwam in zijn dorp en hij ging slapen.
De jongens en de meisjes van ’t dorp waren verwonderd en verwonderd, alzoo: Wel, hij, is hij dezen morgend vroeg niet opgestaan? En waar heeft hij dien palmwijn gedronken?
En men wasschte hem, en hij werd wakker.
Het nieuws, dat hij gezien had, vertelde hij hun, alzoo: Het dorp, waar de trommel gisteren aan ’t weergalmen was, heb ik gezien. Maar ’t opperhoofd, dat daar is, zijn naam is Na Makumba. Ik vroeg aan zijne onderdanen, alzoo: Dit opperhoofd, van waar komt hij?
Maar de onderdanen antwoordden mij, alzoo: Wij weten niet, van waar hij gekomen is. Maar hij, hij vertelt ons altijd, alzoo: Weggeworpen, men heeft ons weggeworpen. Hij, ’t opperhoofd, vroeg mij nieuws; ik, ik heb hem nieuws verteld. Daarna nam hij vleesch en luku, en hij gaf het mij. En ook nog twee kruiken palmwijn. En ik dronk en dronk, maar ik kon ze niet.
Ik, ik sprak met den mond, alzoo: Gij, opperhoofd, van waar zijt gij gekomen?
Hij antwoordde mij, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men weggeworpen heeft. Weggeworpen, men heeft ons weggeworpen. Maar gij, als gij verstand hebt, draag dit spreekwoord mee; indien gij niet verstandig zijt, laat mijn spreekwoord hier.
Dat spreekwoord heeft hij mij gezegd; maar ik, onderweg, ik dacht en dacht; en dat spreekwoord kon ik niet uitleggen.
Maar eenigen onder hen, zegden, alzoo: Is er hier geen vrouw, die hare kinderen weggeworpen heeft?
Andere waren aan ’t redetwisten, alzoo: Er waren twee kleinen; zij hadden groote navels; maar die kinderen zijn doodgegaan.
Hij, toen hij dat hoorde, zegde, alzoo: Misschien zijn het die kinderen, omdat hij, het opperhoofd en zijne zuster groote navels hebben, en zijn naam is ook Na Makumba.
Anderen zegden ook: Misschien zijn het die kinderen.
En toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil, alzoo: ’t Is niets, wij zullen hooren. Die kinderen vergeet men immers niet.
’s Avonds hoorde men weer de trommel, die aan ’t weergalmen was en de onderdanen, alzoo: Dat dorp, vooruit! Wij gaan er.
Hij, alzoo: ’t Is goed, vooruit!
En zij gingen tot in ’t dorp, en zij kwamen waar de trommel weergalmde en waar men aan ’t dansen was. En zij gingen zich neerzetten bij het vuur, dat glinsterde op het plein.
De menschen van ’t dorp, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Zijt gij gekomen om te dansen? Wel, komt, wij dansen.
Zij, alzoo: Ja, wij zijn gekomen om de trommel. Als wij in ons dorp waren, hoorden wij de trommel, die weerklonk in den hoogen hemel; wij, toen wij ze hoorden, wij zijn gekomen.
En zij namen plaats bij de dansers en zij dansten en dansten. Toen de dans uiteenging, gingen zij slapen.
Toen de zon opstond, doodde men een verken; zij aten. Men danste weer, en de ouden zegden tot de jongeren, alzoo: Neemt uw vleesch, wij gaan terug naar ons dorp.
Maar de jongeren wilden niet, alzoo: Wij, wij zijn de kinderen van Na Makumba, wij blijven hier.
De ouden drongen aan; maar de jongeren wilden niet.
Toen zij er genoeg van hadden, gingen zij weg. Maar de jongeren bleven daar.
Maar hunne bloedverwanten, toen zij dat vernamen, spraken, alzoo: Wel! Gaat onze kleinen halen. Hebt gij ze daar niet geleid?
Maar zij antwoordden: Wij hebben alles uitgedacht om ze mede te leiden; maar zij wilden niet. En wij zijn vertrokken.
En men ging de kleinen verwittigen; maar zij kwamen niet terug, omdat het dorp van Na Makumba een goed dorp was. Het nieuws verspreidde zich in de omliggende dorpen, en men trok op naar ’t dorp van Na Makumba.
Zij ook, toen zij dat zagen, alzoo: ’t Is wel; wij ook, wij gaan daar wonen.
Zij kwamen en zij vroegen eene plaats aan Na Makumba.
En hij toonde hun een heele streek.
Maar in hun dorp was de vader en de moeder gebleven, die deze kinderen hadden van kant gemaakt.
Zij dachten, alzoo: Men vertelt ’t nieuws; misschien is het waar. Wij ook, wij gaan het vragen. Misschien zijn het de kinderen, die wij weggeworpen hebben?
Hij, de oom, die de eerste in ’t nieuwe dorp gekomen was, ging bij de onderdanen, alzoo: Gij onderdanen, wij koopen geiten en verkens en palmwijn; dan toonen wij vader en moeder aan ’t opperhoofd. Alzoo zal hij hen misschien vergeven!
De onderdanen wilden niet redetwisten, alzoo: ’t Is wel, wij koopen die geschenken.
En zij legden mitakos te zamen en zij kochten geiten, verkens en palmwijn. Zij leidden vader en moeder tot bij Na Makumba. De oom kwam spreken, alzoo: He, opperhoofd, uw vader en moeder kom ik u toonen. Zij hebben u gebaard. Wij, wij hoorden ’t spreekwoord, dat men u weggeworpen had. Eenigen onder ons, zegden, alzoo: Gij, vader en moeder, gij hebt deze kinderen verworpen. Zij spraken niet. En nu komen wij ze u toonen: Hier dus is uw vader, en daar is uw moeder, gij ziet ze alle beiden.
En men sneed aan vader den wijsvinger af; en aan moeder trok men een nagel uit den vinger.
Dan toonde hij hun een hut. Maar hij wilde de geschenken niet ontvangen.
De tijd vervloog en vader en moeder stierf. Hij beval aan zijne onderdanen ze te begraven.
En hij werd een groot opperhoofd. ’t Dorp van Na Makumba werd overal vermaard. Na Makumba was een groot opperhoofd in de ronde.
Kivwanza.