De Bambata en de Kikvorsch
Reading edition
En zij gingen. Zij kochten hunne messen. Zij hadden ze ingebonden in een huid, alzoo: Nu, laat ons optrekken.
En zij vertrokken. Zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan den doorgang eener rivier, alzoo: ’t Is heel warm, de harten branden, zij branden van dorst; wij leggen onze vrachten neer; wij rusten in ’t water; wij drinken en wij nemen een bad. Dan trekken wij stillekens en stillekens, langzaam heel langzaam op.
Zij legden de vrachten neer; zij dronken water; zij namen een bad, alzoo: Nu, vooruit, laat ons onze vrachten dragen.
En zij trokken op.
Zij, alzoo: A, ouden, waar gij gaat, komt terug en hoort wat hier spreekt in ’t water, alzoo: Nkanku, nkanku!
De Ouden kwamen terug, alzoo: Laat ons dit te zamen regelen.
En zij spraken onder malkander, alzoo: Maakt de huiden, waar de messen inliggen, los.
Zij hadden alles in twee verdeeld. En zij wierpen de helft in de rivier, waar de kikvorsch sprak. De messen, die overgebleven waren, bonden zij weer vast.
Nu vooruit, mannen!
Maar de kikvorsch was weer aan ’t spreken: Nkanku, nkanku!
Een Mumbata, alzoo: Waar gij gaat, a, luistert, hij vraagt weer; die wij gegeven hebben, ’t is te weinig. Komt, laat ons geven, die nog overblijven.
Een andere Mumbata, alzoo: A, en als wij nog geven, die overblijven, dan zijn wij al ons geld voor niets kwijt. Wel, zouden wij dan naar ons dorp terugtrekken zonder iets?
En zij wierpen de palmboommessen in ’t midden van ’t water, waar de kikvorsch sprak. En zij, zij gingen.
Zij kwamen in hun dorp aan, en zij vertelden wat er voorgevallen was. Maar men lachte ze uit.
Zij, alzoo: De messen, zij zijn verloren, voor altijd verloren, nu zouden wij teruggaan, en ze nemen? Wij zijn met geen geld geboren.
Mbengo.