← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Een Vergiftiging

Reading edition

In een dorp was er een slechte vrouw. Op zekeren dag had die vrouw honderd en tien mitakos. De Nkandu was aangekomen. ’s Morgens, als zij opstond, ging zij naar de rivier om haar te wasschen. Zij kwam terug, braadde een palmnoot in ’t vuur. De palmnoot was voorbereid; zij deed er de schors af, en zij bestreek er het aangezicht mede, om zich als een schoone maagd voor te stellen.

Maar in het dorp kende men haar, als een oud verfronseld wijf, die vijf kinderen had gebaard, twee meisjes en drie jongens.

Toen zij op de markt kwam, zag zij drie maniokbollen, die men op de markt kwam dragen. Zij wachtte op den weg en zij vroeg: Die maniokbollen, zijn zij mij te verkoopen?

Die hare maniokbollen bezat, antwoordde: Ja, zij zijn te verkoopen.

Zij vroeg: Hoeveel voor eenen bol?

De verkoopster antwoordde: Veertig, veertig.

Zij dan: He, zuster, neem dertig, dertig voor een maniokbol.

Wel, ’t is goed, betaal de mitakos.

Zij nam het mandeken, dat zij op den kop droeg, haalde er negentig mitakos uit, betaalde de drie maniokbollen, en zij trok op. Op haar mandeken lagen er nog twintig mitakos op. Zij ging terug naar de markt, zij kocht meloenzaad voor tien mitakos, kocht zout voor vijf, en rupsen voor vijf.

Haar kind had zij ook vijftig mitakos gegeven; het kocht ook zijne zaken en zij trokken terug naar hun dorp.

Toen de moeder thuis kwam, brak zij hare maniokbollen, legde ze in de zon; maar de zon was niet sterk.

De maniokbollen, zij droogden niet en zij zegde: Ik zal naar ’t bosch gaan, om brandhout te rapen, en mijne zaken te drogen.

Zij kwam in ’t bosch aan, en zij vond er droog nsasahout, dat afgevallen was bij onweerswind. Zij brak het hout. Het brandhout was overvloedig. Dan zocht zij witte slingerplanten, en bond een bussel hout vast.

Zij kwam terug, terwijl zij den bussel op den kop droeg. Zij kwam zien of haar gekochte zaken droog waren; maar zij waren nog niet droog. Zij nam ze en ging ze leggen op een berd. De avond was gevallen, zij stak een groot vuur aan, opdat de zaken zouden drogen, en zij sliep in.

’s Morgens vroeg, toen zij wakker werd, bezag zij de zaken of zij droog waren. En zij zag, dat ze droog waren; zij nam haar kalebas en haar kruik en zij ging naar de rivier; zij kwam er aan, zij waschte handen en voeten en mond; en dan putte zij water. ’t Was gedaan. De kruiken waren vol. Zij kwam terug, kwam in ’t dorp aan en wachtte een weinig.

’t Weder was schoon geworden. De mannen gingen jagen; anderen gingen naar hun werk, ’t bosch afkappen. De vrouwen ook gingen naar ’t hooge gras, om aardnoten aan te aarden; anderen om visschen te vangen in de vijvers, waar zij plassen water ledigden.

In het dorp waren slechts de kleine kinderen gebleven. Zij, de vrouw ook, begon hare maniokbollen te stampen in den stampersblok. Zij had gestampt, ’t was gedaan. Zij ziftte het maniokmeel. Het ziften was gedaan.

Zij nam een pot en zette hem op ’t vuur. Zij nam een steen om meloenzaden te vergruisen. Zij vergruisde de meloenzaden en zij droeg den steen terug in de hut en legde hem langs den strooien muur. De pot water was aan ’t koken. Zij legde er maniokmeel in en zij zette zich neer aan ’t vuur.

De maniokmeel was in deeg veranderd. Zij haalde het er uit, en zij legde het op een mandeken.

Het was kouder geworden en zij begon ’t deeg te kneden.

Terwijl zij kneedde, waren er vele kinderen op het plein aan ’t spelen. Die kinderen hadden veel verstand. Onder hen, schenen er drie boven allen uit, zij waren veel ouder.

Onder die drie, spraken er twee, alzoo: Laat ons naar ’t bosch gaan, wij gaan onze granaat-peren eten.

Een wilde niet gaan, hij bleef weigeren; maar zijne zusters bleven volharden om hem mee te lokken. Maar hij, hij dacht: Ik zal gaan naar die hut daar, waar men maniok voorbereidt; ik zal mijn maniokbrood ontvangen.

Maar zijne zuster, die met hem van dezelfde moeder geboren was, wilde niet, dat hij blijve; zij droeg hem; maar hij weigerde.

En zij gingen. Toen zij in ’t bosch kwamen, hij, de jongen, waar hij gebleven was, stond op, ging daar waar hij gerucht hoorde. En hij kwam aan de deur en ging zitten op den dorpel. Zij, de vrouw, zij had haar potje meloenzaden op ’t vuur gezet, en zij viel het deeg aan ’t kneden. De maniokbrooden waren gemaakt, zij had de meloenzaden voorbereid, en zij beval aan den jongen: Ga een blad halen, ik zal er u eenige meloenzaden opleggen.

Terwijl hij ging, legde zij eenige meloenzaden op een blad, dat in huis lag, deed er iets slecht bij en kwam buiten. Hij, de jongen, gaf het blad, dat hij was gaan oprapen om er meloenzaad op te leggen; maar zij, de vrouw, antwoordde: Werp dat blad weg, moeder. Dat blad lag achter ’t huis, ’t is geen goed.

Hij wierp het blad weg, nam de meloenzaden aan en het maniokbrood, dat zij hem te eten gaf.

Maar hij, de jongen had verstand; hij nam alles aan, nam het blad dat hij weggeworpen had, rolde er het brood in, en hij at het niet, hij bleef stil.

Zij, de vrouw, zegde alzoo: He, vader, toe, eet uw maniokbrood.

Hij, de jongen, antwoordde: Neen, ginder ga ik alles opeten.

Hij stond op; maar vermits hij verstandig was, bewaarde hij het maniokbrood, en wachtte naar zijn moeder. Dan zou hij eten. Hij zette zich neer aan de deur van de hut zijner moeder.

Zij, de vrouw, kwam uit hare hut; zij zag den jongen, die neergezeten was aan de deur van de hut zijner moeder, en zij vroeg hem: He, vader, hebt gij uw maniokbrood geëten?

De jongen: Ja, ik heb het geëten.

Maar, daar hij verstand had, had hij alles bewaard.

Zijne zusters kwamen uit ’t bosch en kwamen met hunne granaat-peren af.

Hij, de broeder, alzoo: He, mijn oudste, geef mij eenige granaat-peren.

Maar zijne zuster had het in haar hart niet begrepen; zij gaf er hem en zij zegde: Wacht, totdat moeder komt, dan zal ik alles vertellen.

Eindelijk kwam hunne moeder. De dochter vertelde alles, wat zij gezien had.

De moeder, haar bloed bruischte op, zij riep haren zoon en zij vroeg het. De jongen weigerde niet en zegde: Wees gerust, mama, ik heb het niet opgeëten. Ziehier hetgeen zij mij gegeven heeft, ik heb het bewaard, ik heb niets geëten.

De zon was ondergegaan. ’t Was donker geworden.

Toen zij opstonden, ging de moeder naar den stam van de banaanplant zien. De banaanplant was geworden, juist alsof men haar verbrand had.

De moeder ging in allerhaast naar haren man en vertelde, hoe haar jongen gevaren was.

De echtgenoot, zijn bloed bruischte en bruischte, en zij gingen het vertellen in hunnen familiestam.

De oude van den familiestam deed die vrouw komen, hij vroeg haar uit; maar zij antwoordde niet.

Zij gingen nkasa halen. ’s Morgens vroeg, gaf men haar het te eten, en zij braakte het niet uit.

Hij, ’t opperhoofd van ’t dorp, had ongelijk en was beschaamd. Hij verkocht haar, en hij betaalde die duizenden aan den familiestam van den jongen.

Die vrouw werd verkocht om hare misdaad, dat zij menschen wilde vergeven.

Kiduma.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings