De geesten en de hondenkweeker
Reading edition
In een dorp kweekte een man zijn honden.
Hunne namen waren: Ntuntu nsoni, Mbwa ndombe, Kapakala. Wanneer zij groot waren, dien dag, de zon was schoon opgestaan. Hij nam zijn honden, alzoo: Ik ga jagen.
Hij ging en hij schoot veel wild.
Maar terwijl hij wild jaagde, was de avond gevallen; het werd donker. De hondenkweeker in ’t hooge gras zag zijn weg niet. Toen hij zocht en zocht, den weg, hij zag hem niet.
En hij ging in ’t midden van een groote uitgestrekte vlakte. Toen hij ging en ging, zag hij een oud ingevallen huis; hij trok er binnen met zijn honden en met het wild, dat hij geschoten had.
Hij klom op een teenen vlechtsel, een soort van bed, met zijn honden. Hij wist niet dat dit het huis was van een geest.
De eigenaar van het huis, toen hij kwam, stak vuur aan, maar hij werd stank gewaar. Ook, toen hij den kop zag van ’t wild, dat hangend hing van het teenen vlechtsel, deed hij een pak stroo in brand, verlichtte het bed en hij zag een mensch liggen met zijn honden. Hij verwittigde hem, alzoo: He broeder, kom, slaap op den grond.
De mensch daalde af, sliep bij het vuur, de honden aan zijn zijde. Maar hij, de geest had dat in zijn hart niet begrepen; hij nam een nagel, legde hem in ’t vuur.
De nagel werd rood, hij nam hem er uit, en hij wilde dien mensch doorsteken; dien mensch, die daar lag bij ’t vuur met zijn honden.
Toen hij den nagel toonde, begonnen de honden te brommen van gramschap.
De geest, aldus: He, mijn vriend, houd uw honden tegen!
De mensch, alzoo: He! Indien gij niets gedaan had, mijn honden zouden niet voor niet gebromd hebben.
Zij sliepen weer een poosje. De geest draaide zich om; zijn hart was anders geworden. Hij brandde weer de nagel in ’t vuur; de nagel werd rood, hij nam hem uit het vuur, hij naderde tot bij den mensch, maar de honden bromden weer van gramschap.
De geest beval aan den hondenkweeker: Houd uw honden stil.
En hij sloot het huis vast met slingerplanten.
En zij gingen. En hij toonde hem den stinkboom, alzoo: Klim er op en pluk noten.
De geest bleef beneden op den grond. Hij ging zijn broeders verwittigen, alzoo: Komt, weet ge, ik kan hem niet vatten: heden heb ik hem gevat.
De broeders kwamen zich vereenigen, een heelen troep geesten, aan den stam van den boom. Een geest stak zijn tand uit, om den mensch te vatten, die boven op den boom zat.
Hij, de mensch, alzoo: ’t Zijn slechte, heel slechte noten.
De geest antwoordde, alzoo: Pluk, pluk, zeg niets om te lachen.
En toen hij plukte en plukte en plukte, stak een geest weer zijn tand uit, alzoo: Daal af, rap, heel rap!
De mensch kreeg verstand, toen hij deze menigte menschen aan den stam zag. En hij daalde niet beneden. Zij bevolen bijlen om den boom af te kappen. Toen zij begonnen te kappen, zongen zij een lied: Kenda nti, kenda kulu kulu Ta Nganga, kingela k’asiama ko, Ta Nganga. De mensch riep zijn honden. Hij riep ze, alzoo: He Ntuntu nsoni, he Mbwa ndombe, he Kapakala, haast u. Indien gij u niet haast, ben ik doodgegaan.
De geesten waren aan ’t kappen en kappen. En de honden liepen rond; zij liepen rond en rond. Maar ’t huis was gesloten.
Om uit te geraken, zij konden er niet uit.
Ntuntu nsoni brak de muur door; en zij kwamen heel rap aangeloopen, daar waar hun meester riep.
Toen zij kwamen, waren de geesten vereenigd, een heelen troep, aan den stam. Zij hoorden hunnen meester roepen van boven: He Ntuntu nsoni, he Mbwa ndombe, he Kapakala, gij ziet het zeker wel, dat zij den boom afkappen om mij te dooden.
De honden vermoorden al de geesten. De mensch, toen hij beneden kwam, toen hij zijn honden geroepen had, alzoo: Komt hier, ’t is wel. Al de geesten, zijn zij dood?
De honden kwamen af, alzoo: Allen zijn dood. Daar blijft niets meer over.
Hij, aldus: ’t Is wel. Gij hebt het gehoord, ik was bijna doodgegaan.
De honden zegden hem, alzoo: En wij, dezen nacht aan ’t brommen waren wij; want die geest had een nagel gevat, hem gloeiend gemaakt, weet gij, om u te dooden. ’t Is daarom, dat wij van gramschap bromden.
Kibangu.