Oorlogswraak
Reading edition
Zij, alzoo: ’t Is wel, wij zullen komen.
Zij hielden feest, ’t feest was schoon geweest.
Maar ’t feest wilde eindigen en dien dag wilden zij eens hunne krachten meten.
Er was een vrouw van Kianika, die haar kind neergelegd had op een biezenmat. Een mensch kwam op dit kind treden, dat op de mat lag. Het kind begon te schreeuwen. De moeder hoorde haar kind schreeuwen, alzoo: He, beste moeder, ik sterf!
De moeder, ter oorzake van de groote vrees en ook ter oorzake van den twist, die zou ontstaan tusschen haar en haar man, dacht, alzoo: Misschien is ’t kind aan ’t sterven. En zij riep, zoo hard dat zij kon, alzoo: He, la, la, la, la, he, mannen, mijn kind is gestorven.
De echtgenoot liet zijn hart niet vallen, hij ging een geweer leenen. Hij kwam die menschen schieten. Eenige stierven. Anderen, zij stierven niet. Zij waren slechts ziek, zij genazen.
De dorpen van de menschen, die gestorven waren, kwamen bijeen, en zij verklaarden den oorlog. En zij vochten en vochten.
Maar de vrouwen hadden veel verstand. Zij vluchtten in ’t hooge gras van hun dorp, en zij begonnen te roepen, terwijl zij op hunnen mond sloegen: He la, la, la, la! He, la, la, la, la!
De mannen kwamen af met hunne geweren. Zij vroegen aan de vrouwen: Dat roepen en slaan op uwen mond, wat is ’t?
De vrouwen, alzoo: He, mannen, spoedt u, wij zijn gestorven. De vijanden, zij zijn hier in ’t hooge gras binnen!
De mannen gingen ’t hooge gras omlaag leggen.
Terwijl zij in ’t hooge gras binnentrokken, traden zij het neer met de voeten. Zij konden niets zien, en de twee waren in ’t midden van ’t gras met hunne geweren.
Muamba schoot een oude van Kianika neer. Hij stierf.
Dan ging hij loopen en vluchten. Hij liet zijn oude in het hooge gras. De mannen van Kianika schoten vol gramschap, omdat een hunner ouden doodgeschoten was.
Zij zworen den eed: Indien wij allen vandaag sterven, dan sterven wij. Onze oude zal alleen niet sterven. Vandaag wij sterven ook!
Hij, Mayaka, waar hij verscholen was, kwam te schieten. Maar om zijn geweer te laden, had hij geen poeder meer.
En zij, de mannen van Kianika, zij drongen in ’t hooge gras binnen, en zij stampten het plat. Zij vonden Mayaka.
Zij vatten hem en zij deden hem veel pijn afzien. Zij leidden hem tot in ’t dorp.
De ouden van ’t dorp namen het besluit de mannen van Kinkanga te doen komen, dat zij de zaak kwamen regelen en den moord betalen.
Maar de jongelingen wilden dat niet hooren, alzoo: Wij, onze oude is dood, en wij zouden nu Mayaka loslaten, dat zij de zaak komen regelen. Een van ons is er gestorven; hij ook vandaag, ja, vandaag, sterven hij zal sterven!
Wel, gij ouden, en wij jongelingen, wij voeren tegen u oorlog, vermits gij het alzoo wilt. Die gestorven is, is het geen mensch misschien? Gij, ouden, gij hebt schrik, gij zijt bastaarden! Hoe zijt gij met uw onderdanen bezorgd? Misschien gelijk wij bezorgd zijn met dien daar?
Een jongeling werd kwaad en was verbitterd; hij dreef fel den spot met de ouden. Hij handelde zoo, opdat de ouden ook zouden kwaad en verbitterd worden, dat zij Mayaka zouden dooden.
En waarlijk, de ouden werden kwaad, en zij zegden, alzoo: Welaan, gaat dien oorlogsslaaf losmaken, hoort ge!
Een oude doodde Mayaka; hij plantte zijn draagmes in de borst.
De ouden, alzoo: Wij gaan hem begraven.
Maar de jongelingen liepen rond met hunne geweren, alzoo: Wie een graf maakt, om dat lijk te begraven, die is ook dood. Wij, wij hakken ’t lijk in stukken.
De ouden, alzoo: ’t Is wel!
De jongelingen waren wreed en stuur geworden, en zij bedreigden met dit bedreigen.
De ouden, alzoo: Wel, zoekt een mes!
En zij zochten een mes, en zij scherpten het goed.
Zij hakten hem in stukken. Zij sneden de voeten af; zij sneden ’t hoofd af; zij sneden hem open, haalden de ingewanden er uit; en zij verdeelden het lijk in twee stukken.
Een man van Mbengo vatte ’t hart, ging er mee ’t bosch in, en at het op.
Die van Kinkondongo namen ’t hoofd; die van Mboma de voeten; die van Zulu de armen. ’t Mannelijke begroef men, en men plantte op die plaats een wilden vijgeboom, die er nu nog staat.
De mannen van Kinkanga kwamen de twee rompen koopen. Zij kwamen een gesneden verken betalen, en negen kruiken palmwijn.
Men gaf hun de twee rompen, die overbleven. Zij gingen ze begraven. Toen zij ze begraven hadden, spraken zij dit verbod uit, alzoo: Een mensch van Kianika, dat hij den voet niet zette in Kinkanga; een mensch van Kinkanga, dat hij den voet niet zette in Kianika! Indien hij er den voet zet, hij is dood, niet levend.
Kianika.