Na Nsesa en zijn Neef
Reading edition
De neef van Na Nsesa had vischfuiken vervaardigd, en hij was ze gaan leggen in ’t water.
’S morgens, toen hij wakker werd, zegde hij, alzoo: Ik zal gaan; ik ga mijne vischfuiken ledigen.
Hij, de oom, hij nam zijn geweer, alzoo: Wel, ’t is goed, vooruit!
En zij gingen, en zij kwamen aan de fuiken, en de neef toonde, alzoo: Hier heeft men mij iets geworpen; maar laat ons rivierafwaarts gaan.
Zij gingen en zij ledigden de fuiken. De fuiken waren vol visschen, de fuiken waren te klein. Zij kwamen aan den laatsten fuik, die veel grooter was. Hij was vol visschen. Toen zij dezen wilden uit het water trekken, werd er weer iets geworpen. Zij namen de fuiken op, en gingen loopen tot in hun dorp.
Zij zaten neer, zij legden de visschen bijeen; ngola waren er in overvloed.
De neef sprak, alzoo: Wel, Na Nsesa, neem ngola en bereid ze.
Maar hij zegde zoo: Bereid gij ze!
En de neef had de ngola voorbereid. Hij nam den pot van ’t vuur en sprak: He, beste oom, de ngola zijn gereed. Kom, wij gaan eten.
Na Nsesa kwam af, en zij begonnen te eten.
Toen zij aten, viel Na Nsesa op den grond; hij had stuiptrekkingen in den buik en in ’t hoofd.
De ouden, die dat zagen, zegden: Gaat naar den toovenaar, misschien lagen er toovermiddelen in ’t water. Ziet naar toovenaars uit, om hem te heelen.
Een toovenaar kwam, en heelde hem, en hij sprak: Doet nog eenen komen.
Wanneer zij hem deden komen, was Na Nsesa een lijk.
De menschen waren verwonderd en zij zegden: Die zaak, van waar komt zij? Zag men zoo iets, toen onze ouden leefden. Hoe! Ngola waren er in overvloed.
Eenigen tijd daarna, was de neef ook ziek.
De ouden waren verwonderd en zij zegden: Zeker, dit alles is van Europa gekomen.
Andere ouden zegden, alzoo: Zekerlijk is het dit, dat onze dorpen doet uitsterven. Wel, hebben wij de blanken niet gezien? Wij zien ze nog.
Kibangu.