De Sprinkhaan en de Gazelle
Reading edition
In ’t dorp waren er veel jongens. Maar twee jongens beminden malkander: een oude en een jongere.
Laat ons gaan, wij gaan wandelen in ’t hooge gras, zoo zegden zij.
Maar de oudste antwoordde: Ik wil niet, ik geef niets. Gij, waarom hebt gij geen sprinkhaan gevangen?
De oudste at, ’t was gedaan. De jongste droeg den luku terug in ’t huis zijner moeder. Hij zweeg.
Maar de zon was achter de bergen verdwenen; zij sliepen; de zon was opgestaan, en was vol vreugde.
Zij gingen weer wandelen. Toen zij in ’t hooge gras binnengingen, zag de kleine een gazelle, die gestorven was. Hij nam haar op, riep den oudste alzoo: He, mijn vriend, ik heb mijn gazelle gepakt, zij is dood.
Hij, de oudste, kwam af, toen hij zegde: He, vriendlief, ons vleesch.
Hij, de kleine, antwoordde: He, Yaya, onze sprinkhaan.
Dan droeg de kleine zijn vleesch, hij alleen. En de oudste begon te smeeken: He, mijn kleine vriend, geef mij, was ’t maar een stuksken.
Maar de kleine wilde niet: Ik wil niet. Waarom hebt gij uw gazelle ook niet gepakt?
Zij gingen de zaak regelen bij de ouden van ’t dorp.
Den kleine gaf men gelijk; hij at zijn vleesch op, hij alleen.
De oudste werd berispt en uitgelachen.
Kongo.