De Palmboommuis en de Krabbe
Reading edition
De Palmboommuis en de Krabbe hadden te zamen gebouwd. Dat, dat was niet goed, vermits zij niet voorzichtig waren.
Op zekeren dag zegde de Palmboommuis tot de Krabbe: De ouden hebben geleerd ’s nachts alleenlijk te wandelen. Maar ik wil niet, wij wandelen in den dag. Vooruit, ik zal mijn palmnoten gaan zoeken.
En zij gingen. Dicht bij hun dorp, was er een palmnotenrist rijp.
De Palmboommuis had ’t gezien, zij was er opgeklommen om de palmnoten te snijden. De Krabbe kwam af, bleef staan onder den palmboom. Ga weg, vriendin, zoo deed ze opmerken, ga weg, misschien valt de palmnotenrist.
Stel u gerust, vriendin, zoo zegde de Krabbe; ik heb schelpen, ik kan niet sterven door dien palmnotenrist. Ik blijf hier van onder.
Haar man, toen hij dit hoorde, nam zijn geweer, ging uit, ging zijn muizen schieten. Toen hij aan den palmboom kwam, zag hij de Palmboommuis; hij legde zijn geweer aan, hij schoot.
Waar zij hun dood gezocht hadden, daar vonden zij hem.
Kisantu.