← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

De nijdige Moeder

Reading edition

Een moeder had haar tien kinderen gebaard. Tusschen haar tien kinderen, die zij gebaard had, twee overtroffen al de anderen door hunne schoonheid. Een jongen, die den naam droeg van Mengi, en een meisje, haar naam was Mafuta. De jongelingen van ’t dorp vochten slechts om dit meisje, om haar alleen; en zij beminden haar.

De moeder, toen zij dat zag, zegde, alzoo: Ik heb tien kinderen gebaard; al de anderen dus zijn niet schoon.

En zij nam haar dochter bij de hand, alzoo: Welaan, ga water putten aan de rivier.

De moeder, toen zij keek en keek, het kind, zij zag het niet meer.

Toen beval zij weer aan haar zoon, die al de anderen overtrof door zijne schoonheid, alzoo: Neem de kruik aan, ga water scheppen.

Hij, toen hij de perels had aangenomen, ging ze dragen naar Mama. Zij, de moeder, zij vroeg niets. De tweede dag was het hetzelfde. De derde dag hetzelfde.

De jongen deed dan de ouden van ’t dorp bijeenkomen, alzoo: Naar het water ging ik dezer dagen; iemand gaf mij perels, dat ik ze drage naar Mama.

De ouden, alzoo: ’t Is leugen.

Maar op zekeren dag, gingen zij te zamen en zij vereenigden zich.

Hij, de jongeling toen hij water schepte, hij zag rivieropwaarts; daar kwam een blad aangezwommen, dat waggelde boven ’t water. En hij hoorde weer rivieropwaarts een bel, die sprak.

Terwijl zij sprak, allen waren aan ’t luisteren. Zij, toen zij het hoorden, gingen zij verder rivieropwaarts, en zij omsloten ’t water met een dijk, en zij schepten het water maar uit en uit.

Toen stond er een hevige wind op en hij begon te waaien en te waaien; toen zij vochten en vochten en vochten, de mannen van ’t land waren sterker. En zij ontrukten ’t meisje. Toen zij het ontrukt hadden, zij, de Bisimbi, spraken, alzoo: Zij, waar zij gaat, geeft haar geen verkensvleesch, maakt voor haar niets gereed.

En zij gingen terug naar hun dorp. Maar zij de moeder, uit nijd voor haar andere kinderen, dien dag, had zij een verken gedood, om een toovermiddel aan haar kind vast te hechten.

Maar Mafuta wilde geen verkensvleesch, alzoo: ’t Verken, de watergeesten hebben het verboden. Gij nu, dat verkensvleesch, geeft het aan mijn broeder.

De moeder legde vleesch op een telloor, en ging het dragen aan Mengi. En Mafuta, zij ging tot bij haar broeder Mengi; zij sneed een stuksken van ’t lever af en zij at het. Terwijl zij aan ’t eten was, ’t water kwam tot aan de teenen.

Mengi kwam kijken tot in ’t huis van zijn moeder, alzoo: He, Mama, uw kind, ’t water is tot aan haar teenen.

Zij, de moeder, alzoo: Loop weg, mijn kind, kom haar geen kwaad doen.

Toen de moeder dit zegde, de jongen begon een lied aan te heffen, en weende en weende, alzoo: He, Mafuta, mijn oudste, waar gij verblijft, werk daar geen werk.

’t Water kwam tot aan de knieën, ’t kwam tot aan den buik, ’t kwam tot aan den hals, en zij, zij verdween.

Toen zij verdwenen was, alzoo: Mama, uw kind is verdwenen.

De moeder kwam, en alles was vol water.

Hij, die overbleef, Mengi, ging toen zijn huis binnen, en hij begon te weenen en te weenen, en hij ook, hij stierf van veel, veel verdriet.

Zij, de Moeder, zag met veel vreugde dat de twee schoone kinderen gestorven waren.

Kinkoko.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings