← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Het Lied der Ouden1

Reading edition

Het Lied der Ouden1

De ouden zegden, alzoo: Gij kinderen, die vreugde, waarmede gij opgebracht en verzorgd zijt, later zult gij ze zien. Zij komen, de menschen, die wit zijn; zij zijn als ons maniokmeel zoo wit. Dien dag, als zij afkomen, wij, de ouden zijn uitgestorven en doodgegaan. Gij blijft achter en gij zult dat zien.

Zij, de kinderen, alzoo: En die menschen van waar komen zij?

Zij, de ouden, alzoo: He, wij weten het niet, hoort ge!

Andere ouden zegden, alzoo: Hoort ge, van Europa komen zij.

Zij, de kinderen, alzoo: Wel, dat Europa, waar is ’t? De plaats, waar is ’t?

Zij, de kinderen, alzoo: En als zij hier komen, wat komen zij hier doen?

De ouden, alzoo: Dit land, het onze, komen zij dooden.

Onze ouden zijn doodgegaan. Zij, de blanken, hebben ons land ingenomen. Wat onze ouden vertelden, wij hebben het gezien. Wij, de kinderen, wij zijn gebleven, wij zijn gevallen in plagen van allen aard. De blanken, hebben wij ze niet gezien? Zoo hebben onze ouden geen leugen verteld, zij hebben de waarheid gezegd.

Kianika.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings