De verloren kruik
Reading edition
Eene moeder had twee kinderen gebaard, Nsamba, de oudste, Nkenge de jongste. Zij, de moeder was een stuk land aardnoten aan ’t bewerken. Toen zij aan ’t hakken waren, zij, de moeder beval aan Nkenge, alzoo: He, moeder, ga mij water putten!
En de kruik verdween in ’t water.
Zij, alzoo: He, moeder, een andermans kruik, die van moeder is verdwenen in ’t water. Als ik terugkom bij moeder zonder iets, zal zij mij slaan. Wacht, ik ook, ik val in ’t water, ik volg een andermans kruik van moeder.
En zij ging bij de bende van de Ba Nzonzi, alzoo: He, gij mannen, wie heeft er mij de kruik gepakt?
Zij, toen zij ging bij de bende van de Makaki, alzoo: Haast u, volg daar die bende van de Binkolo4.
En zij ging. De Binkolo, alzoo: Volg tot in ’t dorp waar menschen zijn; daar is een jongeling, die de kruik genomen heeft.
Toen zij daar ging, vroeg zij, alzoo: He, gij, jongelingen, wie heeft mijn kruik?
Deze drie jongelingen, toen zij haar antwoordden, alzoo: Wacht hier. Wij zoeken den mensch, die uw kruik genomen heeft.
En de drie jongelingen, zij zochten en zochten en vonden de kruik.
Maar Nti nene Kuvwemba, de oudste, zegde alzoo: Hier zijn wij alle drie; zeg onze namen, dan zullen wij uwe kruik toonen?
Zij, Nkenge, aldus: Ik, ik ken u niet bij uwe namen, hoe zou ik uwe namen zeggen?
Zij, dus: Zoo gij onze namen niet zegt, de kruik, die krijgt gij ook niet.
Nkenge zegde, alzoo: ’t Is niets; ik, ik blijf hier; dien dag dat ik de kruik van Moeder krijg, dan trek ik op.
Onder de drie jongelingen, sprak er een (Nkalu-nkalu Kilomba, was zijn naam): Wel, ’t is goed, slaap hier; ga morgen naar onze landen van aardnoten, ga ons onze aardnoten uitdoen.
Nkenge, alzoo: Ik neem het aan.
Hij, Kinkalu-nkalu Kilomba, ging mee naar ’t veld en toonde haar de aardnoten; hij kwam terug. Zij, Nkenge bleef daar, zij alleen.
Nti nene Kuvwemba, toen hij in een vogel veranderd was, kwam zitten op een boom, dicht bij ’t aardnotenland, en hij zong in zijn lied, alzoo: Nkenge, hebt gij geene ooren? Een andermans vogel, Nti nene Kuvwemba. Een andermans vogel, Nzila nzadi, nzila Lemba. Een andermans vogel, Kinkalu-nkalu Kilomba. Maar als gij de rivier doorstapt, aan ’t water kom er niet aan om te drinken.
Zij, Nkenge, zij ook zij zong dien zang, en zij kwam tot aan ’t water; zij dronk water, en ’t lied was vergeten. Toen zij kwam, toen zij de aardnoten aanbood, alzoo: He, mannen, neemt uwe aardnoten aan.
Zij, de mannen, alzoo: Zeg onze namen; dan eerst eten wij aardnoten. Zoo gij onze namen niet zegt, dan eten wij geen aardnoten. Dien dag dat gij onze namen zegt, dan zullen wij uwe kruik geven. Dien dag ook voeren wij u terug tot den vijver, waar wij u gevat hebben.
Zij, Nkenge, alzoo: Uwe namen, ik en weet ze niet, mannen, hoe zou ik ze zeggen?
En zij sliepen. ’t Weder was klaar geworden. Zij, Nkenge ging dan naar de velden van aardnoten. Terwijl zij aan ’t werken was, de vogel kwam weer af, alzoo: He, Nkenge, Nkenge, hebt gij geene ooren?
En hij zong de namen in zijn lied.
Toen zij kwam tot aan ’t water, alzoo: Vandaag, drink ik geen water, omdat mijn lied verdwijnt, als ik water drink.
Toen kwam zij tot in ’t dorp; zij, Nkenge was ’t lied aan ’t zingen.
Zij, de jongelingen, alzoo: Hoort nu Nkenge, wat lied komt zij zingen? De namen, wie heeft ze haar gezegd?
En zij kwam tot in ’t dorp, zij bood de aardnoten aan, en zij gaf ze aan de jongelingen, alzoo: Wij, wij zullen aardnoten eten, als gij onze namen zegt.
Zij, Nkenge, alzoo: Gij, de oudste: Nti nene Kuvwemba. De volgende: Nzila nzadi, nzila Lemba. De jongste: Kinkalu-nkalu Kilomba.
De jongelingen, dan: ’t Is wel, beste. Wie heeft u onze namen gezegd?
Zij, alzoo: Ik alleen, ik heb ze uitgedacht in mijn verstand.
Toen zij hare kruik deden te voorschijn komen, betaalde zij haar nog vadems stof en verkens en kiekens, alzoo: Nu vooruit, wij gaan u terugvoeren, daar waar uwe moeder is en uw vader.
En zij kwamen, en zij brachten Nkenge terug op den hoop waar men ’t veegsel werpt. En zij verdwenen.
Zij, de moeder, toen zij haar huis uitkeerde, riep hare dochter Nsamba, alzoo: He, moeder, raap ’t veegsel op, werp het op den vuilnishoop.
Zij, Nsamba wilde niet; hare hardnekkigheid toonde zij.
Zij, Nsamba, toen zij dat hoorde, zij nam ’t veegsel op en zij wierp het weg. Toen zij ’t veegsel wierp, zij, Nkenge sprak, alzoo: Wo! Wie komt hier ’t veegsel in mijn gezicht werpen.
Zij, Nsamba, alzoo: He, moeder!
De moeder, alzoo: Wat is er?
Zij, alzoo: Hoor; die hier spreekt op den vuilnishoop, de stem juist van Nkenge.
Zij, de moeder, alzoo: Men heeft u betooverd, kind. Kom mij niet vervolgen? Nkenge is zij al niet lang doodgegaan?
Zij, Nsamba dan: Kom gij alleen, kom en luister.
Zij, de moeder, zij kwam; toen zij wierp, ’t kind sprak.
Zij, dus: Kom er uit, moeder; kom bij mij, uwe moeder.
Zij, alzoo: Ik, hoe kom ik er uit, moeder, hebt gij alles vergeten?
Zij, de moeder, dus: ’t Is wel, moeder, kom er uit. Ik heb alles vergeten.
Zij deed de trommels komen, om ’t feest op te luisteren.
En de trommels weergalmden en weergalmden, omdat haar kind, dat verloren was, was teruggevonden.
Mvwila.