← Table of contents
Uit den Kunstschat der Bakongos

Bijgeloof

Reading edition

A! Den boa vraagt gij, dat slecht ding. Indien gij hem tegenkwaamt, zou hij u niet vatten?

Hij, aldus: Wat men noemt, hoort ge, zonder voeten, zonder tanden; om mij te vatten, waarmee?

Gij ook, gij kunt te veel redetwisten. Dien dag, dat deze redetwist zal uitvallen, hebt gij een graf voor u gegraven.

Hij, alzoo: Wo! Die boa, geiten kan hij vatten; zij hebben geen armen. Maar ik, een mensch, hoe kan hij mij vatten?

Hij, de oudere broer, alzoo: Gij, indien gij hem moest tegenkomen, zoudt gij niet vluchten?

En de jongeling, alzoo: Of ik hem zou vluchten? Moest hij op mij afkomen, ik ging niet vluchten.

En indien hij u vastgreep?

O, dan, ik en hem, wij zouden vechten.

Hij, de oudere broer, alzoo: Gij kunt niet, kind. Zeg dat niet.

Ik, ik houd dat staande.

Toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil. Zij spraken daar niet meer over.

Op zekeren dag was de zon schoon opgekomen. ’t Was schoon weder. Hij, de jongeling, hij nam zijn kapmes en zijn geweer, en ging naar ’t hooge gras.

Hij kwam terug naar ’t dorp; hij vervaardigde rietpijlen. Daarna nam hij een aardpotje, klom op een wilden vijgeboom; trok er vogellijm uit om vogelen te vangen. De vogellijm was gereed.

Toen nam hij zijn kapmes. De avond was gevallen. Hij verwittigde zijne broeders, alzoo: Gij moet mij niet zoeken, ik ga vogels vangen. De vogels ga ik afwachten.

En hij vertrok. Toen hij ging, brak hij onderwegen witte mierennesten los; legde de mierennesten in eenen korf en hij ging. Hij ging tot aan de plaats, die hij had schoon gemaakt. Toen plaatste hij de vogellijm op de mierennesten. De vogellijm was geplaatst, en hij trok de kleine hut binnen, en hij zat neer.

Terwijl hij zat, was hij aan ’t afloeren en afloeren en afloeren.

Toen hij afloerde, verdween de tijd en verdween en verdween. De vogels kwamen niet rap af; zijn oogen vielen dicht en hij sliep.

Dan kwam er een boa af. Hij slikte een been van den vogelvanger in; een been bleef er over.

Toen werd de vogelvanger wakker en zijn been woog zwaar, zoo zwaar, zoo zwaar. Toen hij opkeek, zag hij een boa daar liggen, die zijn heel been had ingeslikt.

Hij nam zijn kapmes en hij sneed een fellen sneed in den boa.

De boa wierp het been uit, en de boa liep weg; en hij, de vogelvanger, hij liep ook weg en kwam in zijn dorp slapen.

De menschen zegden hem, alzoo: Uw oudere broeder is ziek.

Maar hij, toen hij in ’t dorp kwam, hij vertelde niet, hoe de boa zijn been had ingeslikt.

Toen hij hoorde dat zijn broer gestorven was van een felle snede van een mes, dat hij in ’t lijf gekregen had, vertelde hij wat er voorgevallen was, alzoo: Ziet! Over eenige dagen hebben wij, mijn broeder en ik, geredetwist over den boa. En gisteren heeft een boa mijn been ingeslikt en ik heb hem een fellen steek van mijn kapmes in zijn lijf gestoken.

Songia.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings