De wraak van Mpingia1
Reading edition
De wraak van Mpingia1
Eene moeder had een kind gebaard; de naam van de moeder was Nsamba, de naam van het kind Nkenge. De moeder zegde zoo: Iedere jongeling, die dit kind trouwt, dat hij negen kokers blaze. Als hij die negen kokers kan blazen, dan neemt hij zijne vrouw.
Op zekeren dag kwam de Muscuskat af, en vroeg, alzoo: He, gij, Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Zij, alzoo: Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers.
De Muscuskat zegde zoo: Het dik gras, dat ik eet, doet veel pijn en dan zoudt gij zeggen dat ik deze dingen van kokers niet kan blazen?
Hij blies twee kokers; maar zijn mond scheurde en hij ging rap loopen.
Daarna kwam de Aap en hij vroeg, alzoo: He, gij Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers.
De Aap zegde zoo: Maïs en caoutchoucvruchten, die heel hard zijn, ik slaag erin om ze op te eten en dan zoudt gij zeggen dat ik deze dingen van kokers niet kan blazen.
Toen hij acht kokers geblazen had, scheurde zijn mond en hij ging loopen.
Daarna kwam de Mpingia en hij zegde zoo: He, gij, Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers. De Muscuskat en de Aap, die u voorafgegaan zijn, zijn gaan loopen en gij, gij zoudt dat kunnen?
Nkenge sprak dus: ’t Is wel, blaas de kokers, en trouw mij.
De Mpingia blies de kokers. ’t Was gedaan.
Ma Mpingia ging bij de tooveraars en zegde: Ziet gij, ouden, ik heb mijne echtgenoote getrouwd. Welnu, Ma Nsombi heeft mijne vrouw afgenomen.
De tooveraars, alzoo: Geef ons eene geit, wij zullen u leeren hoe gij doet.
Maar toen hoorden zij ’t nieuws, alzoo: Ma Nsombi heeft de vrouw van Ma Mpingia afgenomen, en ’t is daarom dat de dag niet meer verschijnt.
De ouden vereenigden zich in dien nacht; zij gingen naar Ma Nsombi, en zij zegden, alzoo: Geef de vrouw van Ma Mpingia terug, dat zij een andermans dag doe verschijnen; de menschen sterven van honger, omdat het altijd donkere nacht is en men niet werken kan.
Maar Ma Nsombi, als hij deze schoone vrouw zag, wilde ze niet teruggeven, en hij ging vluchten naar een verafgelegen land.
Toen hij vluchtte, was de regen gevallen. De vrouwen gingen naar ’t water in ’t midden van dien nacht, en zij zagen de voetstappen van Ma Nsombi; en zij zegden, alzoo: Wij hebben de voetstappen van Ma Nsombi gezien, die vluchtte met een andermans vrouw.
De ouden toen zij dit hoorden, speelden de klokjes, vereenigden de geweren, gingen hem volgen. Toen zij hem vonden, waar hij sliep, wilden zij hem dooden; maar toen hij de geweren zag, beven en beefde hij; en hij zegde, alzoo: Vat mij stillekens; de vrouw, zij is immers hier.
Zij vatten Ma Nsombi en de vrouw, voerden ze terug naar Ma Mpingia. Ma Mpingia, toen hij zijne vrouw zag, zegde zoo: Waarom zijt gij niet gevlucht uit het huis van Ma Nsombi, om bij mij te komen? Ik gaf u geld.
Maar de vrouw zegde zoo: Ma Nsombi verborg mij.
De opperhoofden zegden zoo: Wel, Ma Mpingia, nu dat gij uwe vrouw ziet, doe een andermans dag opklaren.
Maar Ma Mpingia, alzoo: Doodt eerst Ma Nsombi, dan zal ik den dag doen opklaren.
Wanneer zij Ma Nsombi gedood hadden, nam hij zijne vrouw, en hij zegde, alzoo: Leert wel uwe dochter; als zij een anderen jongeling ziet, dat zij er niet mede koute. Indien ik stierf van droefheid, zoudt gij niet berispt worden en niet moeten betalen?
De moeder die ’t meisje bezat, kwam naderbij en zegde zoo: Ziet gij, te veel jeugdige streken, Mama, hebt gij getoond; uwe broeders zijn van den honger gestorven, omdat Ma Mpingia ’t weder heeft duister gemaakt. ’t Is al nacht, twee jaren lang. Wandelen, wij wandelen niet. Vandaag zweer het ons, maak geen vriendschap meer met jongelieden; ken uwen man, die u geld zal geven.
De moeder van het kind deed eene geit slachten, deelde ze uit aan de opperhoofden, die de zaak van Ma Mpingia geregeld hadden.
Dan deed Ma Mpingia ’t weder weer opklaren.
Ware ’t niet geweest, dat de opperhoofden van de streek naar Ma Nsombi gezocht hadden, dan zou de dag nu nog niet klaar geworden zijn.
He, jongeling, en jonge dochter, zweert den eed, gaat niet meer langs die wegen, die slecht zijn. Wat God gebonden heeft, maakt het niet los.
Kindingi.